De meeste mensen staan in het leven met een ernst die lachwekkend naïef is. Ze nemen zichzelf heel serieus, en koesteren een diepe minachting voor zaken die zij als onserieus beschouwen. U en ik, humoristen, weten wel beter. Als wij de slappe lach hebben, voelen wij ons juist op ons sterkst. Wij lezen moppenboekjes nog echt, in plaats van er alleen gemakzuchtig doorheen te bladeren. Op een scheetkussen slapen wij het allerlekkerst; onze OV-chipkaart werkt ook in de rebus. Het circus is wat ons betreft een even belangrijke culturele institutie als de bibliotheek, en de clown is de enige artiest die het verdient serieus te worden genomen.
Ik heb sinds kort Instagram, en toen ik daar stuitte op het account van Myron Hamming, oud-stadsdichter van Groningen, dacht ik even dat ik in hem een broeder had gevonden. Een zielsverwant, een mede-satiricus, een maatje in het kwaad. Iemand die al dat gedoe ook niet zo serieus neemt, en die, om de invalide poortwachters van de hoge cultuur te laten struikelen, maar al te graag zijn beste beentje naar voren zet. Geweldig, het concept van een ‘dyslectische dichter’. Ronduit fantastisch, vond ik het, hoe Myron tegen heilige huisjes aan trapte door kluchtige gedichten op zijn Instagram te plaatsen. Neem als voorbeeld dit kleine meesterwerkje: ‘er veranderde zoveel toen / ik fouten maken niet langer / verwarde met falen’. Toen ik dit las dacht ik: dit is satire. Zo maak je slechte dichters belachelijk. Hier kan ik nog wel wat van opsteken – of dan in ieder geval de meeloper. Ik besloot meteen een optreden van deze Groningse Vondel te boeken.
Kunt u zich voorstellen hoe verbaasd ik was, toen ik eenmaal in de zaal naar hem zat te kijken. Diezelfde ochtend had ik nog gedacht: Myron Hamming, wat een grappige keuze! Een hilarische combinatie van een token black guy-naam als ‘Myron’ om racisme belachelijk te maken en van ‘Hamming’ als tongue in cheek-verwijzing naar zijn eigen hamsterachtig dikke wangen. Zelfspot staat bij mij hoog in het vaandel, dus weet dat ik er met de beste verwachtingen inging. Maar toen ik eenmaal zat en naar Myron keek, en werkelijk niemand lachte toen hij op plechtige toon het gedicht ‘soms wil ik me verstoppen / voor de wereld en gezien / worden tegelijkertijd’ voordroeg, realiseerde ik me dat ik dit keer de naïeveling was geweest. Myrons naam was schrikwekkend echt, en zijn gedichten ook.
Terwijl het afschuwelijke besef bij me indaalde dat Myron ook een van die mensen was die zichzelf serieus nemen, werd ik tegelijkertijd op groteske wijze gewaar van de vorm van zijn penis, duidelijk afgetekend in de stof van zijn broek. Mijn paniek nam toe, maar Myron begon ongestoord aan het volgende gedicht: ‘maar misschien lukt het wel / maar misschien lukt het wel / maar misschien lukt het wel / maar misschien lukt het wel / maar misschien lukt het wel’. Lukte wat wel? Hier blijven zitten zonder opeens uit mijn stoel op te staan en met mijn hoofd vooruit tegen een muur aan te rennen? Hoe kan het dat niemand in de zaal lachte? Had iemand hier ooit gelachen?
De rest van de voorstelling herinner ik me als een waas; ik was waarschijnlijk te verbijsterd om nog externe prikkels te registreren. Nu ik weer veilig thuis ben en alle gebeurtenissen met een afstandje kan bekijken, kan ik opnieuw de humor inzien van Myrons gedichten. ‘vaak bleken het achteraf alleen / je eigen gedachtes te zijn / die je tegenhielden’. Zal wel wezen, maar Myron mag zich echt wel wat vaker laten tegenhouden door zijn gedachtes. ‘Het is niet erg om bang / te zijn, zonder angst / verliest moed haar / betekenis’. En woordgeslacht, blijkbaar, want ‘moed’ is een mannelijk zelfstandig naamwoord. Achteraf gezien was het ook geen grap dat Myron zichzelf als ‘dyslectische dichter’ omschreef.
Myrons gedichten zijn van zichzelf al zo grappig dat ik er niet eens meer een leuke grap bij hoef te bedenken. Misschien zou een makkelijker mens daar dankbaar voor zijn, maar het feit dat Myron Hamming ooit tot stadsdichter van Groningen is uitgeroepen, baart mij vooral zorgen. Wat is daar aan de hand? De burgemeester van Groningen – overigens ‘een maat’ van Myron – moest laatst aftreden omdat hij door een vrachtwagenchauffeur betrapt was op masturberen in zijn auto. Q.E.D. het is een idiote stad die een idioot volkje huisvest, maar zelfs dan is het moeilijk te geloven dat er in heel Groningen niemand rondloopt die een beter gedicht kan schrijven dan ‘verwacht niet er te kunnen zijn voor wie / je liefhebt zolang je voor jezelf / geen ruimte vindt’. Tot die persoon zich opwerpt, rest ons niets anders dan lachen.
WF
‘Dominic, sell this’, zei uitgeverij Rubinstein tegen Dominic Seldis. Ze hadden het over zijn kont. Dat contrabassisten doorgaans berooid zijn, weet ik als geen ander: mijn ouders spelen dit instrument allebei. Mijn vader hangt delen van de week boven dampende erlenmeyers in een fabriek waar betonontkistingsmiddelen worden geproduceerd om zijn muzikantensalaris aan te vullen; mijn moeder bekostigt haar Duitse snaarhars en de stationwagen om dat kloteding mee te vervoeren met een stressvolle kantoorbaan. Je zou dus verwachten dat ik sympathie zou hebben voor een schnabbelende bassist –niets is minder waar. Dominic Seldis is als de laatste in Nederland bekende klassieke muzikant nou net de enige contrabassist die zijn anus niet in de etalage hoeft te leggen. Dat hij dat wel doet is puur omdat hij het lekker vindt.
Waarom ze trouwens niet: ‘Dominic, verkoop dit’ tegen hem zeiden, is omdat Dominic geen Nederlands spreekt. Daarmee is een groter deel van zijn bekendheid te verklaren dan op het eerste gezicht logisch lijkt. Ik leg het u uit: in Nederland houden we van mensen die pseudo-exotisch zijn. Een Syrische vluchteling krijgt vier hooivorkpunten in zijn dijbeen en een vuurwerkbom op zijn stoep als hij niet snel genoeg de taal leert, want die is écht exotisch, maar een man die hemelsbreed op nog geen driehonderd kilometer van Amsterdam geboren is, maar wel een een cravat draagt en dingen zegt als: ‘truly marvelous’, die wijkt precies genoeg af van onze standaard om als curieuze excentriekeling in de armen te sluiten. Nederland laat zich graag, makkelijk en vaak de wol over de ogen trekken door wandelende karikaturen van onze Europese broederculturen: Ilja Gort als de verfijnde Fransoos, Valerio Zeno als de temperamentvolle Italiaan en Dominic Seldis als de posh dandy. De zelfhatende maar zichzelf toch superieur voelende Nederlander wil een nepvariant van echte cultuur, zodat hij die straffeloos en heimelijk uit kan lachen. Precies om dezelfde redenen kijkt hij wel naar programma’s waarin Dai Carter klassieke muziek verkracht, maar luistert hij er verder niet naar.
Nadat Seldis als jurylid van Maestro de gemiddelde AVROTROS-kijker in zijn opengesperde klankgat heeft laten kijken, nodigt hij nu dus fans uit bij zijn reet in boekvorm. Tussen zijn Britse billen vinden we zeer belangwekkende en intrigerende verhalen over bijvoorbeeld die ene keer toen Dominic in Purmerend moest spelen, maar zijn bas vergeten was. Of die keer dat hij de koning een hand mocht geven. Of de eerste keer dat iemand een selfie met hem wilde maken. Of toen hij een concert van de Toppers bijwoonde en dacht, ik citeer: ‘mensen in de klassieke muziekwereld kunnen hier een hoop van leren.’
Maar die inkijkjes in het glamourleven van een lid van het Concertgebouworkest zijn slechts Vlooienmarsjes tegenover de gelaagde symfonieën waar Dominics meer opiniërende proza zich mee laat vergelijken: ‘Ik ben geen sportfanaat. Mijn grootste probleem met voetbal is de haat op basis van ras en nationaliteit die erdoor wordt gecreëerd en gevoed. Ik heb verachtelijke uitspraken gehoord richting spelers en supporters. Gedrag waar ik in de verste verte niks mee te maken wil hebben.’ Dat het maar gezegd is. Verder is voetbal niet leuk vinden vanwege racistische spreekkoren natuurlijk net zoiets als Bach slecht vinden omdat Bernstein zijn tong niet uit de mond van zijn dochter kon houden.
Seldis is (zoals ik hem hiervoor al typeerde) een Brit van het type John Cleese en Stephen Fry, waarschijnlijk een latente homosexueel en iemand die een aristocratisch voorkomen cultiveert zodat er sprake is van een contrast wanneer hij een grap over stront maakt of het woord ‘fuck’ opduikt in één van zijn wijdlopige zinnen. Dan zet hij een verlekkerd glimlachje op en neemt hij het applaus in ontvangst vanachter het kopje thee waar hij een slokje uit neemt. Voor die toonaard schijnen de Britten een term te hebben: tongue-in-cheek. Bij Seldis krijg je het idee dat hij een dikke, gevorkte tong heeft die hij in beide wangen tegelijk kan duwen.
Wat me uiteindelijk nog het meeste stoort aan Seldis is dat hij het Nederlandse publiek een totale omkering van het échte archetype van de contrabassist voorspiegelt. Zelf ontkent hij dit overigens: hij is lomp en zwaar en de bas is dat ook (haha, truly marvelous, chap!). De ware bassist, zoals ik die al mijn hele leven ken, is een nederige en dienstbare Atlas. Hij draagt de Itzhak Perlmanesque diva’s met hun aanstellerige doekjes in de nek en de egomane klootzakken van de kopersectie op zijn rug, zonder daar ook maar een bedankje voor terug te verwachten. Dat imago komt zo’n holhoornige scone met clotted cream in zijn aderen en zijn boventanden in zijn kin gehaakt als twee ijsbijlen in een gletsjer vervolgens lekker om zeep helpen. Het is de ultieme tragiek: juist het zichzelf-wegcijferende menstype waarvan de bassist een ondersoort is, is niet geëquipeerd om het resulterende misverstand uit de weg te helpen.
IS
We moeten het hebben over journalisten. Niet over hun verstreken of juist ongestreken overhemden en egomanie, of dat ze de hele werkdag staren naar het scherm met de live leescijfers van hun artikel in de kantine, nee, we pakken het probleem bij de atoomkern aan: hun taalgebruik. Ze kunnen niet spellen, gebruiken krukkige anglicismen en noemen alles, maar dan ook echt alles ‘kraakhelder’. Zowel de soep in het restaurant als de taal in de nieuwe roman of de muziek van een opera kraken van helderheid. Het is doortrapt: de lezer weet niet wat het betekent zonder dat de lezer het gevoel heeft dat hij niet weet wat het betekent. Als een currymaaltijd gemaakt met van die zerocalorierijst: achteraf zit je vol, maar energie om de trap op te lopen heb je niet. De allergrootste gelatinerijstkorrel in deze categorie, ik krijg er nu ook weer spontaan kippenvel van, is, mijn hemel, gaan deze woorden nu echt uit mijn pen komen, de volgende: ‘wat het betekent om’.
Zo geeft een schrijver volgens NRC weer ‘wat het betekent om als kind op te groeien met een rokkenjager’, en maakt een roman ‘aangrijpend invoelbaar wat het betekent om als vluchteling afgesneden te zijn van het land dat je lief is en ergens anders een nieuw leven op te bouwen’. Ja, je kunt kind zijn, opgroeien met een rokkenjager, of vluchteling zijn, afgesneden van het land dat je lief is, ergens anders een nieuw leven opbouwen, allemaal waarneembare bezigheden. Maar wat het betekent? Niets. Althans, niets meer dan wat het betekent om op dinsdag een boterham te eten.
Maar het wordt nog erger wanneer de zinsnede na een vorm van ‘onderzoeken’ staat. Een kop in NRC: ‘“After Us” is een spannende en wonderschone exploratie van wat het betekent om wél te bestaan’. Ik heb het even uitgezocht, maar ‘After Us’ is gewoon een theaterstuk voor mensen, en niet voor aliens die mogelijk niet weten hoe het is om te bestaan. Of neem de Filmkrant: ‘Passing (…) onderzoekt wat het betekent om als zwart persoon door het leven te gaan als wit.’ Prima, een filmmaker zou nog iets kunnen onderzoeken, maar een film niet. Een film is eventueel het resultaat van onderzoek, een film gaat gewoon ergens over. In dit geval over een omgekeerde chocoladezoen.
Maar het meest pedant is de constructie nog wel in combinatie met mens: ‘Ik denk dat geschiedenis ons vooral kan laten zien wat het betekent om mens te zijn’, stond laatst in NRC. De geschiedenis kan ons veel leren, maar juist niet wat het betekent om mens te zijn. Mensen uit de geschiedenis zijn namelijk niet. Je als levend mens tot de dode mens keren om te vragen wat het is om mens te zijn is als Abdelkader Benali die aan A.F.Th. van der Heijden vraagt hoe het is om (wat het betekent om) een lage rusthartslag te hebben. In de Volkskrant gaat het zelfs over een ‘zoektocht naar de vraag wat het betekent om mens te zijn’. Een zoektocht naar een vraag is al absurd natuurlijk: als je je vraag kwijtraakt zal die niet zo belangrijk zijn geweest en hoef je daar geen zoektocht voor op touw te zetten. En dat blijkt, want die vraag is dus wat het betekent om mens te zijn. Als dat je vraag is raad ik je aan een dozijn Gillette-scheermesjes in te slikken en te stoppen met mens zijn, dan hoef je je ook niet meer af te vragen wat dat precies betekent.
Nu denken jullie natuurlijk, heremijntijd, wat een mierenverkrachtend geneuzel van die OM. En daar hebben jullie helemaal gelijk in. Het gaat er niet om wat er niet staat in zo’n zin, het gaat erom wat er wel staat: namelijk niets. En dat is irritant. Journalisten zijn er om ons iets uit te leggen. In klinkklare kraakheldere taal. En als ze dat niet kunnen, moeten ze nog even goed bij zichzelf nagaan wat het betekent om journalist te zijn.
OM
Van de romantische liefde ben ik altijd groot voorstander geweest. Zoete woorden, doosjes chocolade, en geslachtsgemeenschap: wat mij betreft is het allemaal prachtig. Ook prachtig als het tussen twee mannen plaatsvindt, want precies die mogelijkheid is de zoetste appel aan onze Joods-Christelijke beschavingsboom, als je het mij vraagt. Wat ik het leukste van allemaal vind, is de liefdespoëzie. Hoe mooier de liefdespoëzie is, hoe leuker ik het vind.
Een voorbeeld. Valentijnsdag j.l. verscheen er op mijn Instagram-tijdlijn een gedicht met de reuze-intrigerende titel ‘je bent zacht’. Een liefhebber van de liefdespoëzie als ik weet bij zo’n titel direct: we hebben beet. Dat wordt poëzie over de liefde, en dus: genieten.
Voordat we met z’n allen lekker van de versjes gaan smullen, voel ik de noodzaak om enkele woorden aan een auteursprofiel te wijden. Dara Bazelet is iemand die ik al lange tijd met belangstelling volg. Toen ik een jaar of zestien was, ontmoette ik Dara op een debattoernooi. Ik voelde direct: die gaat later aan de liefdespoëzie. Hoe ik dat wist? Ze had een zekere glazigheid van blik en luiheid van spreken, die ik beide herkende van een meisje uit mijn basisschoolklas waarvan later bleek dat ze door haar vader bewerkt werd met een kalfslederen aktetas. Maar Dara kwam uit Amsterdam-Zuid, en ook als zestienjarige kende ik de CBS-statistieken over de buurtgebondenheid van huiselijk geweld donders goed. Ik besefte: die wordt niet geslagen, die is mentaal met andere zaken bezig, waarschijnlijk gewichtige zaken, zoals de liefdespoëzie.
In de daaropvolgende jaren werd mijn intuïtie steeds bevestigd. Ik was Dara namelijk op Instagram gaan volgen (@daraa.m), en daar werden de dingen met de dag literairder. De skinny jeans werden ingeruild voor een hele vieze rok. De sjaaltjes werden dunner – de glimlach dubbelzinniger. Er verschenen steeds vaker opschrijfboekjes in beeld. Dinerkaarsen in wijnflessen. Sigaretten. Bontmutsen. Andere meisjes met hele vieze rokken. Toen Dara in een stuk of vijf stories trots meldde dat ze aangenomen was bij de cursus Writing for performance van de HKU wist ik dat het menens was, en dat de liefdespoëzie niet lang meer op zich zou laten wachten.
Maar er waren omwegen. Dara schreef, als onderdeel van die HBO-opleiding, een theatervoorstelling over hoe zielig Israëliërs waren. Voor een periode van enkele maanden richtte ze haar havo-pijlen zelfs op de mailbox van dit studentenblad (“acteurs in de porno-industrie die beter behandelt worden”; “zouden mensen het echt boeien” – het vak Dutch grammar for performance writers werd toen nog niet aangeboden). Ze begon een Substack met de kernachtige titel ‘Dara Bazelet’, waarop ze vermeldde dat ‘I felt like an old man from a desolate forest. I have often felt like one. This old man is part of me in a way.’. Dat desolate woud werd vooral bevolkt door de karkassen van de grammaticaregels die Dara met iedere nieuwe taaluiting doodverkrachtte. Maar ik behield mijn hoop – ik zat in de wedstrijd voor de liefdespoëzie.
En op 14 februari j.l. was ie-er eindelijk. ‘je bent zacht’ – we hadden het er net al even over. als mijn woorden het je niet / kunnen zeggen / hoop ik dat mijn lichaam dat kan. Hier vinden we direct een wereldpoëticale noviteit: iets niet kunnen zeggen in een gedicht. In de meeste gedichten vinden ze het juist heel makkelijk om betekenis over te dragen, maar dat is hier dus niet zo. Want het lukt niet met de woorden. Daarom zegt Dara: ik wil die liefde anders overdragen, namelijk op een of andere fysieke, misschien wel erotisch beladen manier – maar wat voor? In ieder geval belooft het veel.
mijn handen zeggen / je lach is breed / je hand is breed / je rug is breed / je liefde ook. Dit is een doordenkertje. Het is een lekkere vent, waar onze Dara mee te maken heeft. En dat zeggen haar handen. Normaal best moeilijk, voor handen om te praten. Maar gelukkig mag dat, in de poëzie. Waarschijnlijk wordt hier iets schunnigs mee geïmpliceerd. Hoeven wij niet aan mee te doen. Kan wel. De ‘breedheid’ van een lach, een rug en de liefde lijken een non-fysieke semantische basis te hebben. De perfide Amerikanen zouden dit een ‘gemixt metafoor’ noemen, maar we moeten hierbij bedenken, ons meisje heeft op de HKU vast veel Mallarmé gelezen (neem ik aan), ze is duidelijk een heel autonoom HBO-taalsysteem voor haar eigen aan het bouwen.
Maar neem dan de volgende regels. mijn vingers wandelen / over je billen als bokkenpoten / over heuvels. Dit is dus erotisch. Maar laten we ons even richten op die bokkenpoten. Een bok is een mannelijke geit. Mijn vingers wandelen over je billen als mannelijke geitenpoten. Ik, de geit, wandel over je billen, alsof het heuvels waren. Ik vertrap je nederheuvels met mijn poten. Ik zet mijn hak in je kruis. Geil, Dara.
Enfin. De liefdespoëzie is een nobel, maar wellicht voor HBO’ers onbereikbaar doel. Misschien hebben ze meer te halen bij, ik zeg maar wat, de Michiel Lieuwma-podcast. Kunnen ze daar de boel duiden. Geld verdienen. Dan hebben ze gelijk de tijd om zich te verdiepen in Hugh Kenner. Yeats. Het concept ‘metrum’. Dara, mop, doe in het vervolg iets beter je best.
MAJM
Een Wallace-themanummer? De WhatsApp-groep van de redactie ontploft: ‘gonna be huge’, zegt de een, ‘can’t say it’, zegt de ander, ‘big’, zegt de volgende, ‘been saying’, zegt de een weer, ‘let’s get it said’, zegt de tweede. Tja, kan, denk ik, maar waarom? Ik heb dat kleimannetje nooit iets literair-satirisch horen zeggen. Altijd dat gepicknick op de kaasmaan, maar ondertussen mislukken al zijn uitvindingen. Gromit, die is een stuk slimmer, daar zouden we het eens over moeten hebben, dat zien die lui dan weer niet in. Maar goed, ik heb ooit een toespraak gelezen van hoe-heet-die-gast-ook-alweer, over een saai leven hebben en je dan moeten inleven in je domme medemens omdat je eigen leven dan leuker wordt ofzoiets. Iets met vissen en actief besluiten niet iedereen een idioot te vinden. ‘Dit is water’, zeg ik daarom acht keer tegen mezelf, en ik app terug: ‘leuk idee, jongens!’
Een vlaag van ellendigheid overvalt me vrijwel direct: moeten schrijven over een wipgeneuste kaasvreter is niet wat ik me had voorgesteld van mijn redacteurschap. Waar begin je, met zo’n figuur? Ik besluit me in hem in te leven en een cracker met Yorkshire Wensleydale te eten bij de thee vanmiddag. Maar in de supermarkt blijken alle blokken kaas er zweterig uit te zien. ‘Sorry, we krijgen de koeling niet meer aan de praat’, zegt een medewerker die me de vochtige Wensleydales ziet inspecteren. Dat zo’n inteeltjosti aan een contract komt. Hoe moeilijk is het om een stuk kaas koud te houden terwijl het buiten vriest? Maar die bezwete kazen doen me wel ergens aan denken: het voorhoofd van die schrijver waar al die deugjongens zo weg van zijn. Walter Falcon uit Dallas was het, volgens mij.
Met in mijn handen een pak crackers en een netje Babybellen, knappe jongen die een Babybel weet te bederven, sluit ik me achter aan de rij. Voor me staat een Amerikaans stel, een man met een hoofd als een beitel en een vrouw die eruitziet als een emmer. Zo traag als een slak met een verdraaide meniscus laden ze hun boodschappen op de lopende band. In de gaten die tussen de producten ontstaan zou ik al mijn aankopen kwijt kunnen. Een eerste neiging het stel onder de oksels te kietelen houd ik in bedwang. Een tweede neiging ook. ‘Dit. Is. Wa. Ter.’ Ik bijt op mijn wangen en proef bloed. Ben ik een goed mens? Nog wel. Houd dit vast. Wil ik wel een goed mens zijn? Als dit is wat ervoor nodig is, twijfelachtig.
Dan ben ik eindelijk aan de beurt. De cassière steekt haar Baker-Miller-roze nepnagels in een van de waxkaasjes. ‘Latisha’, roept ze door de voordeelsupermarkt met een stem die de absolute stem van de dood is, ‘hoe duur is… dit?’ Ze houdt het netje als een trofee omhoog en kauwt in afwachting van Latisha’s respons met open mond op een stuk gom. Ik moet denken aan een studie die aantoonde dat er meer poepbacteriën onder acrylnagels blijven zitten dan onder natuurlijke nagels. De geperforeerde huid van de Babybel zal geen weerstand bieden tegen de eencellige E. Coli’s, die zich vervolgens, al smullend van de witte kaas, elke twintig minuten in aantal verdubbelen. Kon ik me elke twintig minuten maar in aantal verdubbelen, sabbelend op maagdelijk zachte kaas, en ondertussen iedereen uitroeien. Dan zou de wereld een betere plek zijn. Maar het is water. Ik kies ervoor het betekenisvolle, het mystieke van de situatie inzien, de Vomar is als moeder aarde, Latisha is Maria, water, het is water, ook kankercellen hebben water nodig.
Buiten houdt een meisje met een iPad in haar hand me tegen. ‘Hoi, heeft u even de tijd voor de kindertjes met honger in Zuid-Soedan?’ Haar frivoliteit is ongepast, ze weet het, maar nee zeggen is nog veel ongepaster, dat weet ze ook. Met die ene vraag sluit ze me op in een kooi en gooit ze het sleuteltje weg. Al snel laat ze zakjes superpindakaas zien om uitgemergelde kinderen mee aan de praat te krijgen. Ik rochel iets op en laat het in mijn mond heen en weer gaan. ‘Met drie keertjes vijftien euro kunt u twee hele kinderen helpen’, zegt ze. Ik wil het meisje vragen of kinderen met honger wel zo heel zijn en of ik niet een gehalveerd tarief kan betalen voor een zwaar ontvleesd kind. ‘Ik zoek vandaag tien mensen die mij willen helpen en ik heb er al negen gevonden!’ Mijn wangzakken zuig ik naar binnen om zoveel mogelijk speeksel bij de rochel te voegen. ‘Kan ik uw naam erbij zetten?’ Ik open mijn lippen en breng mijn tong op spanning om de rochel met grote kracht naar buiten te stuwen. Maar dan denk ik toch weer: dit is water dit is water dit is water en slik ik de rochel door. Geniaal eigenlijk, die godverdegodver-hoe-heet-die-nou, kunnen we daar geen themanummer over maken?
OM
Dit is water, David Foster Wallace.
Koppernik, €15
Het was een spannende wedstrijd, een echte nek-aan-nek-race, maar de hoofdprijs voor het domste stuk in het David Foster Wallace-themanummer van De Groene Allerhande kan slechts aan één iemand worden uitgereikt. Christiaan Weijts beweert dat personages uit Wallace’ verhalenbundel Korte gesprekken met afgrijselijke mannen veelal afgrijselijke mannen zijn. Hij deed deze onthutsende bevinding toen hij het boek laatst voor de tweede keer las; na #MeToo en de vierde feministische golf lijkt er bij Weijts eindelijk een basisvaardigheid voor begrijpend lezen te zijn ingedaald. De eerste keer vond hij de gesprekken in het boek ook een beetje kort, maar nu begrijpt hij dat dat de bedoeling is. We kunnen ons gaan voorbereiden op een lezing van Anna Karenina als een roman over het leven van een vrouw die Anna Karenina heet.
De nieuwe, verbeterde Christiaan Weijts herkent in de personages die Wallace opvoert opeens ‘stereotiepe mannen − vrouwenversierders, vrouwenhaters, egomane betweters’. Een knappe, intersectioneel feministische lezing, zoals we die het liefst zien van een jongen die zelfs in de turboklas van het Stedelijk Gymnasium altijd als laatste werd gekozen bij gym. Wie niet sterk is, moet slim zijn − zo werden kereltjes als hij op school gerustgesteld. De beste omschrijving van het leven van Christiaan Weijts, is als de tot in het neurotische doorgetrokken voltrekking van dat adagium. Met één blik op zijn in kluisjes gevouwen gezicht weet je dat hij nu nog te allen tijde op het schoolplein leeft, schichtig voor ijsbeentjes en okkernootjes. Ook het literaire veld is geen pestvrij lokaal.
De meeste mensen hoeven Korte gesprekken met afgrijselijke mannen maar één keer te lezen om te weten dat het over problematische mannelijkheid gaat. Sterker nog, ze hoeven daarvoor maar één keer de titel te lezen. Dat Weijts de titel heeft gelezen, en zelfs met aandacht, staat vast, want hij tekent er een commentaar over op: ‘Korte gesprekken met afgrijselijke mannen. Die vertaling is niet helemaal gelukkig, want een groot deel van de bizarre verhalen uit deze bundel zijn toch echt interviews.’ Dat Weijts niet in staat bleek het andere deel van de titel even kritisch te beschouwen, kunnen we dan ook makkelijk opvatten als een bescheiden jeugdzonde van deze vooraanstaande criticus, iets dat we hem in het licht van zijn ontzaglijke bijdrage aan de Nederlandse letterkunde gemakkelijk kunnen vergeven. ‘Wanneer ik het voor het eerst las?’, vraagt hij zichzelf, omdat anders niemand het doet, ‘Nog net vóór #MeToo, ik denk in 2016, toen het eindelijk in het Nederlands verscheen.’ Dat zou aandoenlijk zijn, ware het niet dat Weijts in 2016 niet 16 was, of 26, maar 40, en gepubliceerd auteur. Als je beseft dat zijn analyse van Korte gesprekken met afgrijselijke mannen toen niet verder kwam dan ‘besmuikt lachen’ om deze ‘intellectuele kleedkamerpraat’, kan je zomaar de neiging bekruipen hem ouderwets in elkaar te slaan.
Toch moeten we niet al te streng zijn voor de 40-jarige Weijts. Dat is hij immers zelf al: ‘Destijds zou ik er alleen instemmend om lachen, maar zeker na Rebecca Solnits Men explain things to me (2008) is het onmogelijk om hier geen rasechte mansplainer aan het woord te horen. Wallace voert een Andrew Tate-achtige figuur op die zijn eigen autoriteit ontmaskert. […] Vanuit onze tijd, en nu ik zelf wat ouder, wijzer en gelukkiger ben, zie ik wat al die mannen delen: angst, onmacht. Ik denk dat ik ze destijds heroïsch had gevonden.’ Nu zijn de meeste mannen op hun 26ste al oud, wijs en gelukkig genoeg om Andrew Tate achter zich te laten, maar dat dat Weijts wat langer kostte mag een klein euvel heten. Hij heeft nu het licht gezien, en daar gaat het om. Sinds zijn Albert Verwey-lezing in 2022 over de woke-samenzwering tegen literatuur, de meest buitensporige edelkitsch die ik heb gelezen sinds de blauwdrukken van het Luxor Hotel in Las Vegas, heeft hij grote stappen gemaakt.
Laten we bovendien niet vergeten dat Weijts in 2002 druk was met hele andere dingen: hij werd door de rechter veroordeeld voor stalking. Toen zijn vriendin hun relatie verbrak, kon hij dat niet verkroppen. De mensen die dan twijfelen of Weijts wel de juiste persoon is om problematische mannelijkheid in literatuur aan de kaak te stellen, denken wel heel rechtlijnig over de dingen. Hij is juist ervaringsdeskundig: als iemand weet wat verkrachtingscultuur is, is het Christiaan Weijts. De man is beste vrienden met Ad Verbrugge, Rick Honings en Onno Blom. Hij weet dat de mannen in Wallace’ boek afgrijselijk zijn, omdat hij zelf zo afgrijselijk is. Daar begint zijn waarde als criticus, en eindigt die ook.
WF
Over wijlen mijn schoonvader Dick, die vrijwel zijn hele leven in de Hanzestad Kampen doorbracht, en die ik daar regelmatig bezocht, is veel te vertellen. Dat ga ik hier niet doen, maar ik onthul hier een van zijn verzotheden: hij was niet vies van een moppie leverworst. Hij had daar een favoriete slager voor, nee, niet de Slagerij van Kampen, want dat is natuurlijk de slagwerkerspopgroep, maar een lokale vleeshouwer. Hij had er ook een speciale benaming voor: kulle. Ik had er nog nooit van gehoord, het zou wel plaatselijk dialect zijn, maar begreep uit de context van zijn bestellingen dat het om aantrekkelijk gekruide leverworst ging. Een delicatesse. En intuïtief vond ik het wel een passend woord voor deze lekkernij. Ik hield er ook van, maar lekkerder vind ik bij buien zure leverworst.
Als woordenfreak ging in op onderzoek uit en raadpleegde woordenboeken, encyclopedieën, kookboeken, dialectkrochten. Het woord kulle schijnt uit het latijn te komen, waar culleus een (leren) zak is om vloeistoffen in te bewaren. Vandaar vliegt de betekenis alle kanten uit. In de middeleeuwen wordt de teelbal ermee aangeduid, het scrotum, ook al een zakje waar vocht in kan worden opgeslagen, en al gauw ook de penis. Zo zegt men in Leeuwarden: ‘Dou lulst net so feul as dien kulle lang is’, oftewel: je bent nogal zwijgzaam. En in de Betuwe gaat een rijmpje rond: ‘’Door die scheur daar trekt zijn hele kulleke deur.’ Maar waar is de leverworst?
Voor de adel en de hogere burgerij ontstond in de middeleeuwen een mode met een vooruitstekende zak voor het mannelijk orgaan, waarin niet alleen dat apparaat werd opgeborgen, maar ook allerhande spulletje zoals de zakdoek, geld, etenswaren: de kulzak. Die zette het mannelijk lid viriel en geprononceerd op de pronk; in onze tijd verstoppen we het geval liefst schaamtevol achter een onzichtbare gulp. Deze opbergfunctie van zulke braguettes is overgenomen door de broekzakken. Verwant is de cul- de- sac, de bodem van een zak, en vandaar de doodlopende steeg. Een ‘flauwe kul’ was in 1500 niet om over naar huis te schrijven: er zat weinig of niets in, geen geld, geen imposant lid, geen producerende kloot. Maar waar is toch de leverworst?
Ik denk dat flauwekul uiteindelijk samenvalt met kul: leeg gezwets,nonsens, quatsch, onzin, gekkepraat, zotteklap, gebeuzel, bolderdash nincompoop en ook in het Engels: balls (daar heb je ze weer), gekloot enzovoort. En er is ook nog een betekenisaftakking naar plagerij, pesten, jennen en voor de gek houden: kullen. Maar waar blijft verdickeme de leverworst?
Die duikt opeens in Amsterdam op. Meyer Sluyser, de chroniqueur van het vooroorlogse Amsterdamse Jodenleven spreekt voor de VARA in 1950 (‘ Hier is de VARA, 25 jaar democratisch-socialisme in de omroep’). Hij verhaalt: ‘Prompt elke zondagmorgen omstreeks een uur of tien placht de koopman met een kar volgeladen met zure uitjes, leverbeuling in azijn (die Amsterdammers “flauwe kul” noemen) en dergelijke, de steeg door te komen. Geheel in Amsterdamse stijl placht de koopman dan te brullen: “lekkere flauwe kul… hier moet je zijn voor de beste flauwe kul…”’’
Ha, hier hebben we kul in de betekenis van leverworst. De zuurjood kon op zondag zijn waren slijten, want zijn vrije dag, de sabbath, was de zaterdag. Na WOII was het afgelopen. Hoewel de zure leverworst nog wel te krijgen is, meest in glazen bokalen, is de naam uit het lexicon verdwenen. De ENSIE vermeldt in 1950 dat de term voor leverbeuling in azijn vero(uderd) is. Als je naar De Leeuw gaat, de zuurwinkel op de Vrijheidslaan die de Oost-Europese traditie voortzet, en daar vraagt of ze ook flauwekul verkopen, krijg je vragende blikken. Dat woord kennen ze niet, maar ze verkopen wel grote mooie plakken zure leverworst. Geen streetfood, maar om thuis te savoureren. Hoe het bijvoeglijk naamwoord flauw in roulatie is gekomen, is raadselachtig, omdat de zure leverworst nu juist flink gekruid is. Wie het weet mag het zeggen. Hoe dan ook, het woord is verdwenen, ook uit recente boeken en artikelen over de joodse inleggerij en tentoonstellingen over het Joodse leven, zoals momenteel in de Nieuwe Kerk. Schrijvers over de Joodse keuken die ik consulteerde weten er ook geen raad mee. Wel vond ik nog op internet een instructief artikel over de flauwe kul (voor liefhebbers: op 1 april 2025 geschreven door Ubel Zuiderveld, Ubelski.nl). Daar vermeldt de schrijver dat ook hij bij De Leeuw is langsgeweest, met hetzelfde resultaat. Dit lexicale onderdeel van de traditie is dus verzonken, als het niet weer tot leven gewekt wordt. Mijn schoonvader Dick heeft de term in elk geval aan mij overgeleverd. Hij kende het nog. Mogelijk doorgegeven via zijn grootvader, die er een slagerij op na had gehouden.
De zuurwinkel van De Leeuw staat op honderd meter van de zijstraat van de Vrijheidslaan- die toen nog Amstellaan heette- , waar ik ben opgegroeid. Thuis werd ik regelmatig door mijn moeder, broer en zus uitgemaakt voor ‘beledigde leverworst’. Ik was namelijk heel snel gepikeerd, beledigd om kleinigheden, kon weinig kritiek velen. Die lichtgeraaktheid is hoop ik allengs wat gesleten. Maar waar kwam die term nu weer vandaan? Dat was niet zo moeilijk. Mijn moeder kwam uit Duitsland en die heeft de ‘beleidigte Leberwurst’ meegenomen. Dat is een gewone Duitse uitdrukking voor snel aangebrande types, die ‘sauer’ doen als ze kritiek krijgen. Oorspronkelijk schijnt de uitdrukking te maken te hebben met de lever als zetel van de emoties. Mijn fascinatie voor de leverworst, al dan niet in het zuur, komt misschien wel uit die vroege periode. Ik ben er zelf een. Of is dat flauwekul?
D’O
Het gaat niet goed met de vrouw. In de Verenigde Staten wordt het recht op abortus ingeperkt, in Iran haalt de zedenpolitie ongesluierde vrouwen van straat, en in Nederland was femicide het kinderwoord van het jaar. Toch is er één vrouw die hier, vergeef mij de seksistisch geladen zegswijze, garen bij spint.
Nienke ’s Gravemade verwierf in het afgelopen jaar landelijke bekendheid door in actie te komen voor de veiligheid van vrouwen – niet mijn woorden, maar die van de NOS-website, waar Nienke ’s Gravemade samen met Zohran Mamdani (nieuwe burgemeester van New York) en Julia Coster (mocht bij het concert van Zara Larsson in de Ziggo Dome op het podium komen dansen) uitgeroepen werd tot aanstormend talent van 2025.
’s Gravemades landelijke doorbraak bestond uit een gedicht naar aanleiding van een moord op een zeventienjarig meisje. Op verzoek van de nabestaanden waren de media terughoudend geweest in hun berichtgeving. Zelfs De Telegraaf had zich beperkt tot de voornaam van het slachtoffer. Maar dat was buiten ’s Gravemade gerekend, die haar fanfiction nog geen dag na de moord op Instagram plaatste.
‘Het rode handtasje. Ik denk nog steeds aan het rode handtasje. Hoe het bungelde aan haar stuur, terwijl ze door de nacht reed. (…) Het tasje aan haar stuur, met portemonnee, een lipglossje en haar huissleutels. Of zaten die bij haar fietssleutels in het slot gestoken? Of tussen haar vingers geklemd? (…) Het maakt niet uit wat er in het rode handtasje zat. Het enige wat uitmaakt is dat het tasje niets kan zeggen, terwijl het tasje alles heeft gezien.’
Laten we dat eerst maar eens op esthetisch niveau behandelen. Een tasje dat kennelijk over een goed stel ogen beschikt (‘het tasje heeft alles gezien’) maar geen mond heeft (‘het tasje kan niets zeggen’) – wat moeten we ons daar in hemelsnaam bij voorstellen? En waarom is dat eigenlijk ‘het enige wat uitmaakt’? Is dit poëzie of is erover nagedacht?
Op ethisch niveau is dit natuurlijk minstens zo gestoord. Toch vond half Nederland het prachtig en zag Nienke ’s Gravemade zich genoodzaakt ons andermaal toe te spreken: ‘Mijn afgelopen dagen stonden in het teken van de woorden die ik afgelopen donderdag schreef.’ Haar open brief bestaat uit zeven zinnen waarin de eerste persoon enkelvoud maar liefst elf keer voorkomt (5x ‘ik’, 2x ‘mij’, 4x ‘mijn’) en waarvan de strekking is dat Nienke ’s Gravemade zich distantieert van de initiatieven die naar aanleiding van Nienke ’s Gravemades gedicht zijn opgezet. Nu de instagramvolgers en interviewverzoeken binnenstromen is het zeventienjarige meisje ineens dood en begraven. Bij wijze van spreken dan, want de uitvaart moest nog plaatsvinden.
En daar bleef het niet bij. Ik citeer het juryrapport van de Joke Smit Aanmoedigingsprijs: ‘Nienke ’s Gravemade brengt als actrice, schrijfster en online feministisch activiste met humoristische filmpjes op Instagram giftige mannelijkheid onder de aandacht.’
In deze filmpjes reageert ’s Gravemade op vrouwenhaters als Andrew Tate en Nick Fuentes. Het ‘humoristische’ element moeten we vermoedelijk zoeken in het dik aangezette Hollandse accent waarmee ze Engels spreekt. Ook dit is uiteraard volstrekt zinloos – geen enkele puber wordt de manosphere uit getrokken omdat een vrouw van dezelfde leeftijd als zijn moeder zijn idool belachelijk probeert te maken. Preken voor eigen parochie dekt de lading niet, want zo’n pastoor komt in elk geval zijn huis nog uit.
Bovendien blijkt ’s Gravemade al snel door alle relevante vrouwenhaters heen te zijn. Dus begint ze te putten uit randfiguren met maximaal een paar duizend volgers. Als ’s Gravemade met haar video’s al iets bereikt, dan is het dat ze deze grifters, deze kleinhandelaars in misogynie, precies datgene geeft waarnaar ze op zoek zijn: een podium.
Carl Jung bedacht ooit het elektracomplex als vrouwelijke tegenhanger van Sigmund Freuds oedipuscomplex. Misschien wil iemand ook eens nadenken over een vrouwelijke tegenhanger van Freuds narcissuscomplex. Ik heb wel een idee.
AG
Het is niet gemakkelijk om een vredesduif te zijn. Wanneer ik dezer dagen met mijn olijftak over de Randstad zweef, de tijd van het jaar dat de vrede welig zou moeten tieren, ben ik voornamelijk geneigd om tegen een pas schoongemaakt raam aan te vliegen. Overal zijn onruststokers. Overal zijn oproerkraaiers. Dit land is nog nooit zo verdeeld geweest. Soms word ik daar gewelddadig van. Soms wil ik alle opiniërende columnisten van NRC de nek omdraaien. Daarom zit ik nu ook in therapie. Ik heb een recept voor 500 gram oxazepam per week en de Heer weet dat ik ieder tablet nodig heb: God, wat mis ik de verzuiling.
Ergens zou het barmhartig zijn. Die nekken omdraaien, bedoel ik. Het gezicht van een opiniërende columnist is een gekweld gezicht; het is het gezicht van Rosanne Hertzberger; diep ongelukkig, vervuld van schaamte maar alsnog arrogant. Het is een uitdrukking die je alleen maar krijgt als je de hele dag in totale afzondering tegendraadse meningen zit te formuleren. Zo gaat dat tegenwoordig. Iedere debiel met een mening krijgt een opiniërende column in de katernen van NRC en iedere debiel met een bijbehorend plan – in het geval van Rosanne Hertzberger – komt op een kieslijst terecht, vaak van een partij die direct na de verkiezingen weer in elkaar stort. En het land? Waar blijft het land bij deze ontwikkeling? Onbestuurbaar. Alleen Mai Spijkers spint garen bij deze bedroevende gang van zaken, want alle nieuwe lijsttrekkers mogen hun biografieën bij Prometheus uitbrengen. Dat zijn er heel wat inmiddels.
Het grootste vergrijp van Mai Spijkers is overigens niet dat hij opruiende boeken uitbrengt. Of dat hij zijn redacteuren in hokken stopt en slaat met stokken. Nee, het is dat hij zoveel geld heeft en alsnog die afzichtelijke pakken draagt. Vooral degenen met de bretels. Die bretels zijn de echte bedreiging voor de vrede, denk ik soms. Dan zie ik Mai Spijkers zijn kantoor uitlopen, gekleed als een soort aan lagerwal geraakte oliebaron, en dan realiseer ik me: misschien was dat verheffingsideaal toch niet zo’n goed idee. Misschien had Mai Spijkers gewoon een rietsnijder in Zuid-Brabant moeten blijven, net zoals zijn voorouders.
Ik ben een groot voorstander van de verzuiling. Wat is een zuil? Goed dat u het vraagt. Het is een bouwkundig fenomeen. Zuilen zijn groot en breed en houden de hele tempel overeind. Het geheim van goed bestuur zit in de zuil. Dat zeg ik al jaren. Het Parthenon in Athene – de bakermat van de democratie – heeft er wel zesenveertig. Toevallig? Ik dacht het niet. Nu hebben mensen vaak iets aan te merken op de Atheense democratie; dat ze Socrates ter dood hebben veroordeeld, bijvoorbeeld. Maar om eerlijk te zijn had ik Socrates ook ter dood veroordeeld. Had die pederast maar niet zoveel irritante meningen moeten hebben. Als je erover nadenkt was Socrates ook maar de Rosanne Hertzberger van zijn tijd. Een vijand van de vrede.
Op regenachtige dagen lees ik graag de boeken van Arend Lijphart – Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek om precies te zijn – en dan denk ik terug aan de dagen van weleer. De tijd voordat iedereen zo nodig een individu moest zijn. Iedere zuil had zijn eigen vakbond, zijn eigen voetbalclub en met andersdenkenden werd simpelweg niet gecommuniceerd. Er heerste vrede tussen de gesegregeerde gemeenschappen. Alle mogelijke spanningen werden opgelost door compromissen van de elite: ons beroemde poldermodel. Zelfs in verkiezingstijd was er vrede, want er waren alleen maar grote volkspartijen. Iedere formatie ging van een leien dakje. Ik hoefde nauwelijks wat te doen. Ik zat de hele dag aan mijn cloaca te trekken.
Maar nu? Soms bid ik tot God voor de geestelijke gezondheid Rob Jetten. Alstublieft God, zeg ik zacht. Eeuwige, de Enige, de Almachtige, vestig uw blik op onze toekomstige premier. Heb medelijden. Zie hoe hij zit te werken in zijn schamele partnerwoning in Den Haag. Zie hoe hij zijn paperassen ordent in het schijnsel van een flakkerende kaars. Soms komt zijn Argentijnse hunk even naast hem staan. Hij fluistert zachte liefdeswoordjes in zijn oor, perverse fantasieën over bezwete kniebeschermers van het hockeyveld, maar Rob wuift hem geïrriteerd weg. ‘Niet nu, Nico,’ zegt Rob. ‘Ik moet PvdA-GL en de VVD in een kabinet zien te proppen.’ Daarna vervloekt hij de Nederlandse kiezer. Waar hebben ze hem mee opgezadeld?
Genoeg is genoeg. Dit land heeft maar drie partijen nodig: een racistische proletenpartij, een wereldvreemde kosmopolieten-partij en een groep zielloze liberalen die met iedereen in bed stapt. Dat is wat God voor ogen had toen hij dit pannenkoekenrestaurant van een natiestaat uit de klei deed oprijzen. Stel u zich voor. Mensen zouden weer door hun tijdlijn kunnen scrollen, zonder te worden belaagd met pastelkleurige infografieken over femicide of AI-gegenereerde protestnummers over AZC’s. Meningsverschillen zouden onnodig zijn, omdat niemand meer overtuigd kon worden. Iedereen geborgen in zijn eigen zuil. Geen kiezer zou ‘zwevend’ zijn, maar vastgeketend: met beide benen op de grond. We zouden elkaar weer in de ogen kijken. We zouden weer naar buiten gaan, om wandelingen te maken in het Vondelpark. We zouden luisteren naar het vrolijke gekwetter van de halsbandparkieten. De sneeuw zou zachtjes naar beneden vallen en achter ieder raam, bij ieder kerstdiner, zou de vrede heersen. Roekoe!
Thijs Hoekstra
Ik stond een gênant potje tennis te verliezen toen ik een appje kreeg van TD. Schrijver Femke Brockhus had een heel memoir in De Groene Amsterdammer gewijd aan de verwerking van één bijzin die ik een halfjaar geleden en een halve fles Mooi Kaap Droë Rooi diep had opgeschreven. Mijn eerste reactie: lachen en doorsturen naar iedereen die ik ken. Toch begon er daarna ook snel iets te knagen. ‘Een ontregelende of zelfs traumatische ervaring voelt vaak zo unheimisch (“niet thuis”) aan, omdat er nog geen woorden voor handen zijn.’ − stond dit er echt? Had ik dit veroorzaakt? En dan bedoel ik niet de incorrecte spelling van ‘voorhanden’, want die zou ik nooit veroorzaken, maar de ‘traumatische ervaring’. Het contrast tussen het gelach van mijn vrienden en ‘het glimmende lijfje’ van Brockhus’ zoontje, verschoof iets in mij zonder dat ik er woorden voor had. En toen had ik er toch woorden voor: ik had berouw.
Kijk, als PC-redacteur maak je soms slachtoffers. Daar moet je mee leven. Je kan iets nog zo duidelijk als een grap formuleren, maar het kan altijd dat iemand het serieus opvat. Toen ik ooit in een van mijn eerste stukken schreef dat Wytske Versteeg het gezicht heeft van Timon en het lichaam van Pumbaa, vroeg ik aan mijn moeder of ze me nu gemeen vond. Het deed me denken aan het moment dat ik tien jaar was en uit schuldgevoel wakker lag omdat ik op het schoolplein af en toe dingen als ‘kut’ en ‘lul’ zei; ik ging uiteindelijk naar beneden en biechtte huilend aan mijn moeder op dat ik me op school vreselijk misdroeg. Mijn familie en vrienden zien me als een lieve jongen, maar in PC hang ik de beul uit. Daarin zit het contrast.
De WF van een halfjaar geleden had waarschijnlijk zijn schouders opgehaald, als hij hoorde dat iemand voor elk woord van mij tweehonderd woorden nodig had om duiding te geven aan de vernietigende emotionele neerslag van een grap. Ik had het, eerlijk gezegd, misschien zelfs grappig gevonden. Maar terwijl ik op de tennisbaan Brockhus’ verslag van haar psychische ontregeling stond te lezen, merkte ik dat er deze keer ook een ander gevoel in mijn lichaam sloop. Ja, als PC-redacteur ga je over lijken, maar ik wist ook niet dat het zulke schrijnende maatschappelijke en tekstuele gevolgen zou hebben. Dat een voor mij onbetekenend grapje zo’n heftige uitwerking kon hebben, vond ik, als iemand die elke twee weken een stuk vol beledigingen en bedreigingen publiceert, moeilijk in taal te vatten.
Voordat we verder gaan zal ik de grap waar het allemaal om draait met teneergeslagen hoofd voor u herhalen. Ik citeer hem hier in volledigheid om duidelijk te zijn, niet omdat ik er zo trots op ben: ‘Femke Brockhus’ Beesten die je niet mag schieten, bijvoorbeeld, steekt er maar bleek bij af. Aan de titel valt wel af te lezen dat het tenminste geen autofictie is − Femke Brockhus is bij uitstek een beest dat mag worden afgeschoten − maar dat neemt niet weg dat haar idee voor een plot al niet leuk was geweest als ze het niet had geplagieerd van Lionel Shriver’.
Nee, ik kon er niet meer omheen: ik had een grap gemaakt die iemand heel erg had beschadigd. Nota bene een moeder, van een glimmend zoontje. Dat kon ik niet meer, zoals ik altijd had gedaan, afdoen als een onschuldig geintje. Haar gevoelens bagatelliseren zou me hetzelfde maken als alle daders uit de geschiedenis. Bovendien was dit essay genomineerd voor de Anil Ramdas Essayprijs, dus er moest wel een kern van waarheid in zitten. Ik schrok. ‘Wauw,’ dacht ik, terwijl ik de bal weer in het net sloeg, ‘wat ik heb gedaan is inderdaad net femicide.’ Was ik een slechterik? Stond ‘W’ voor Chris, en ‘F’ voor Jude?
Overduidelijk niet: W staat voor Willem en F voor Fintelman. Voor deze schuld moest ik dan ook boeten in de eigen persoon: dit afdoen als een algemeen mannenprobleem, zou precies dat algemene mannenprobleem in stand houden. Ik moest verantwoordelijkheid nemen, aan mezelf werken, geen slachtoffers meer maken. Die waren er al genoeg. Ik nam ‘zorgvuldig spreken’, naast ‘schoenen uittrekken’, per direct op in mijn persoonlijke Tien Geboden. En ik nam me voor me te verdiepen in de theorie. Van wie anders moest ik het leren dan de grootmeesters? Ik bestelde op boekwinkeltjes.nl meteen I love Dick, She comes first en alle boeken van Femke Brockhus, om mee te beginnen. Ik luisterde alleen nog maar podcasts met Marja Pruis erin, of die door haar waren aangeraden. Ik begon via Goodreads-messages een vraaggesprek met Maggie Nelson.
Van haar kreeg ik het idee om met alle vrouwen in mijn leven gesprekken te voeren over de manieren waarop ik ze gekwetst heb. Ik vroeg aan mijn ex, die het net tussen ons had afgebroken, of het wel echt elke keer consensueel was geweest, zelfs toen die ene keer toen ik dat ene deed, wist ze nog? Mijn zusje kon ik helaas niet vragen wat ik beter had kunnen doen: zij had het contact met mij een halfjaar geleden al verbroken toen ze hoorde dat iemand me aanklaagde om een satirische doodsbedreiging. Bij mijn moeder, die al mijn stukken leest, en die het mij toentertijd nauwelijks had kunnen vergeven dat ik weleens ‘kut’ en ‘lul’ zei tegen andere kinderen op het schoolplein, moest ik opnieuw om gratie bedelen.
Femke Brockhus is, daar ben ik nu achter, slechts de laatste aansluiter in een lange rij mensen die ik pijn heb gedaan. En waarom? Als ik een halfjaar geleden had geweten wat mijn woorden met haar zouden doen, had ik wel twee keer nagedacht. Drie keer, zelfs. Als ik had geweten hoe moeilijk het voor haar was om haar gevoel hierover in duidelijke woorden uit te drukken, had ik mijn grap zeker heroverwogen. Als ik had geweten dat ze aan een werknemer van de politie moest uitleggen dat plagiaat in een roman gewoon mag, had ik haar daar niet van beschuldigd. Als ik had geweten dat mijn geintje voor haar een trauma zou zijn, dat het zou voelen als een ‘agressief opgelegde stilte’, dan had ik haar gezegd dat ze best mocht praten; misschien had ik haar zelfs aangeraden er een essay over te schrijven voor De Groene Amsterdammer.
De laatste stap van mijn plan om verantwoordelijkheid te nemen voor mijn daden, was om een lang, reflectief, kwetsbaar essay te schrijven over mijn eigen gedrag. À la Femke Brockhus, zeg maar. Ik durf wel te zeggen dat dat is gelukt. Recensent Becca Rothfeld schrijft dat je geen memoir zou moeten schrijven als je niet bereid bent jezelf als dwaas en zielig op te voeren: als je jezelf louter de meest chique vormen van teloorgang toebedeelt, vlei je jezelf alleen maar. Als PC-redacteur doe je jezelf soms stoerder voor dan je bent. Je probeert toch een beetje de literaire versie van een nozem op een speedboot met buitenboordmotor uit te hangen. De poortwachters van onze cultuur tegen de schenen te trappen, het patriarchale script te volgen. Maar je moet de menselijke kant niet uit het oog verliezen. Het glimmende zoontje. Vanaf nu zal ik zorgvuldig spreken. Ik ben dankbaar voor de vrouwen in mijn leven. Dankbaar dat mijn moeder al mijn stukjes leest, hoe grof en vijandig ze ook zijn. Hoe vaak ik ook ‘kut’ en ‘lul’ zeg. Dankbaar dat zij het contrast begrijpt.
WF
Toen ik naar mijn werk fietste door de Zuid-Hollandse weilanden, zag ik tot mijn genot een haas over het fietspad rennen. Mijn vreugde was van korte duur, omdat ik zag hoe het arme beest in bruin-rode stroken uiteengereten werd, nadat het voor de lichtstraal uit mijn koplamp probeerde te vluchten en zodoende noodlottig de dorstrommel van een verderop aanwezige landbouwmachine inhupste. Omdat mijn huisarts, Dr. Noodles, altijd zegt dat lachen het beste medicijn is, besloot ik deze traumatische gebeurtenis te verwerken door het nieuwe boek van Abel van Gijlswijk te kopen.
Nadat Scheltema, Athenaeum en drie Leidse boekwinkels me hadden moeten teleurstellen, slaagde ik bij de Relay op Amsterdam Centraal; een winkel waar je naast occulte geschriften ook taartvorkjes in de vorm van wietbladeren en koffiekopjes met daarop ‘Hot mama’ kunt kopen. Voor iemand die anderen beschuldigt van het hebben van een ‘Ako-ideologie’ een markante distributiestrategie.
Zelfs als je de goede winkel te pakken hebt, is het boek moeilijk te vinden. De witte kaft met witte reliëfletters geeft het de allure van een door een spook volgespoten condoom of een zichzelf afwerpende slangenhuid. Tussen titel en auteursnaam bevindt zich een glimmend plakkertje, dat de zingende pygmeeën aan de lopende band van drukkerij Wilco scheef op mijn editie hebben aangebracht. Een zilveren ring aan de hand van een albino-aap.
De darmen, bloedvaten en pezen van die aap bestaan uit drie delen met respectievelijk witte, grijze en zwarte pagina’s. Interessant genoeg is elk deel korter dan het vorige. Misschien ontgaat me hier de esoterische symboliek, maar het lijkt erop dat de monocle-en-hoge-hoed-dragende industriëlen van Das Mag, Abels nationalisering van de drukinkt een halt toe hebben willen roepen. Ik begrijp ze volledig, zij zagen hun winstmarge natuurlijk al verdampen door zinnen als ‘chaos is de enige legitieme ordening’, zelfs al zouden ze die afdrukken op hergebruikt bakpapier. Leuk geprobeerd, Abel, maar de klanten van mijn taxidermiebedrijf waren niet blij toen ik hun Golden Retriever teruggaf met zijn kloten in zijn oogkassen en de poten aan de rug genaaid. Zij hadden toch een ander idee van een legitieme ordening van Rakkers lichaamsdelen.
Een contra-indicatie voor de stelling dat chaos nastrevenswaardig is, wordt, behalve bij een beest, ook geboden bij het opzetten van een zin. Dat krijg je Mark Fisher/Ad Visser helaas niet uitgelegd: ‘Net als mijn slapeloze nachten, loopt ook het sterven en herrijzen van mijn waarheid in een kring waar ik mijn klok op gelijk zou kunnen zetten’.
Een interessante passage, diep in het zwarte woud van deel drie, beschrijft hoe Abel zijn vader (wiskundige van beroep) tot wanhoop drijft met vragen als: ‘waarom zijn er oneindig veel getallen en maar tien cijfers?’ Van Gijlswijk senior, zijn zaad vervloekend omdat de wandelende sativastronk die eruit ontsproten is te dom is om te snappen wat een decimaal talstelsel is, maakt zich er vanaf door Gödel, Escher, Bach voor Abels neus neer te smijten. Een vorm van kindermishandeling waar een Noord-Nederlands pleegkind nog heimwee naar Rakkers kaken (inmiddels zijn sleutelbeenderen) van krijgt.
Toch heb ik geen medelijden met Abel. Toen ik zelf als puber Hofstadters schizofrene tirade kocht, besloot ik na tien bladzijden dat het tijd was om /lit/ niet meer te bezoeken en in de wondere wereld van de vagina te duiken. Abel, daarentegen, draaide nog een joint op de kaft van G.E.B. en Zeitgeist nog een keertje af op Youtube. Wie de ijspriem past, trekt hem door zijn frontale cortex en wordt daarna punkartiest en rapper. Eigen schuld dikke bult.
Zo’n jeugd leidt vervolgens tot passages als de volgende: ‘Ik verveel me vaak maar doe nooit echt niks. Ik wil alsmaar dingen maar eigenlijk heb ik niks nodig, want ik heb alles al, en uiteindelijk is niets toch ooit echt van mij. Ik zit stampvol meningen maar als puntje bij paaltje komt, blijkt vaak niets me heilig. En van alles wat ik vind, kan ik me het exact tegenovergestelde vaak ook ergens wel voorstellen.’ Een veertienjarige met een hanenkam en een klantenkaart van The Bulldog ziet hierin een fantastisch post-ironisch yin en yang: een goudeerlijke omarming van de ouroboros die het leven is. Ikzelf zie vooral een prachtige eerste alinea voor de ontslagbrief van een zekere acquirerend redacteur van Das Mag.
Behalve over waarom IQ-testen eigenlijk schedelmetingen zijn en de ‘energetische knopen’ in de buik van Slavoj Žižek, schrijft Abel ook over zijn thuisbasis: Amsterdam-Noord: ‘Op de plek waar ooit de galgen stonden, staat nu het laboratorium van Shell, waar je gerust je eigen betekenis op mag plakken.’ Het is nog veel erger, Abel. Bovenaan de piramide dansen er geen mannen in pijen rond een alziend oog terwijl er aardolie en adrenochrome door hun aderen stroomt. Bovenop de piramide redden drie mannen en twee meelopers elke twee weken de literatuur van mongolen zoals jij. Het complot gaat altijd dieper en blijkt altijd gruwelijker dan je dacht.
IS
Chaotisch denken voor gevorderden, Abel van Gijlswijk.
Das Mag, €22,99
Ongeveer 15% van alle scheidingen is een complexe scheiding, waarin het contact tussen de ouders regelrecht vijandig wordt, en er soms zelfs in het bijzijn van de kinderen hevige ruzies plaatsvinden. Kinderen kunnen hier zwaar onder lijden. Een zo’n kind is Davud Duk-Ekiz, de oudste zoon van presentator Fidan Ekiz en journalist Wierd Duk. Nadat zijn ouders de nummers van de Kindertelefoon en VeiligThuis uit zijn telefoon hadden verwijderd, zag hij zijn verhaal in dit blad vertellen als zijn laatste kans om hulp te zoeken. Zo’n hartverscheurende oproep konden wij natuurlijk niet zomaar naast ons neer leggen. Daarom laten we hem in PC zijn dagelijkse leven verslaan, in zijn eigen woorden, zodat meer mensen kennis nemen van zijn situatie en hij de hulp kan krijgen die hij nodig heeft.
Maandag
Op maandagmiddag ga ik naar papa. Omdat hij niet mag weten dat ik een fatbike heb, brengt mama me met de auto, al wonen we vijf straten verderop. Papa vindt fatbikes ‘turkenstepjes’, en ‘ara-bierfietsen’, en ‘amfibievoertuigen die alleen kunnen varen op de Middellandse Zee’. Mama moet altijd huilen als hij dat soort dingen zegt. Ik ben maar een half-Turk, dus ik denk dat hij het niet over mij heeft. Ik hoop het in ieder geval niet. Papa zegt dat mama krokodillentranen krijgt omdat ze zo veel leer draagt. En dat ze van de Grijze Wolven geleerd heeft hoe je sympathie bij witte mensen opwekt. Toen ik vandaag bij papa aankwam, stond hij op de stoep te roken. Binnen moest ik eerst door de metaaldetector om te kijken of de Moslimbroederschap afluisterapparatuur bij me had opgeplakt en toen gaf hij me voor ontbijt een bord met twee witte puntjes kroket en mayo, die ik echt bijna niet opkreeg omdat mama me thuis nog snel had volgepropt met pides sish-kebab. Papa is een belangrijke journalist voor Twitter en is heel druk, dus de rest van de dag heb ik een beetje misselijk op mijn Steamdeck gezeten.
Dinsdag
School is lastig. Ik val er net tussen. De jongens van de fatbikegroep vinden het raar dat ik van huis een trommeltje met boterhammen kaas meekrijg, en de jongens die voetballen zijn bang dat ik ze neersteek als ze de bal van me afpakken, die kijken ’s avonds naar papa op TV. Het helpt ook niet dat papa aan het eind van de dag altijd al te vroeg op het schoolplein staat en dan door het raam naar binnen kijkt om in de gaten te houden of ik mijn blanke meisjesklasgenoten geen onveilig gevoel geef. Toen hij vandaag weer door Twitter zat te scrollen terwijl hij ons naar huis reed zei ik dat dat onveilig was, en toen schreeuwde papa dat dat tegen hem zeggen pas onveilig is. ’s Avonds kwamen zijn borrelvrienden, en dan gaan ze altijd raadsels over ‘afval’ vertellen, en dat afval blijkt dan altijd Marokkanen of Turken te zijn. Geen half-Turken, gelukkig.
Woensdag
Op de woensdagmiddag haalt mama me van school, en dan gaan we samen winkelen. Als ik een paar dagen bij mijn vader ben geweest, vindt ze het altijd belangrijk om me ook weer onder te dompelen in mijn ‘roots’, en neemt ze me mee naar een Turks café. Ik vind het wel gek dat ze daarna gewoon naar de Zara en de Shein wil, en zelf een broodje gepekelde haring haalt dat ik niet eens mag proeven, maar ik weet dat ze het goed bedoelt. ’s Avonds heb ik met opa en oma in Turkije gebeld. Dat doe ik bij mama, want als papa ziet dat ik met Turkije aan het facetimen bent schreeuwt hij altijd naar oma dat ze met haar hoofddoekje de geest van Atatürk verraadt.
Donderdag
Omdat de relatietherapeut tegen papa en mama had gezegd dat het goed is voor mijn ontwikkeling als we nog af en toe als gezin samenzijn, gaan we soms met zijn drieën uit eten. Ik mag dan bepalen waar. Normaal vind ik dat heel leuk, maar dit keer wilde ik naar een pannenkoekenrestaurant, en dat zeg ik nooit meer. Papa en mama kregen al bij het bestellen enorme ruzie, omdat papa wilde dat ik een pannekoek met kaas en stroop zou nemen, maar mama vond dat een pannekoek met shoarma beter voor me was. Ik had sowieso geen honger, ik moet van papa en mama allebei de hele dag hun eten eten, op school noemen ze me nu Davud het halfkebapje. Geen hele, gelukkig.
Vrijdag
Vanavond moet papa weer op TV zijn. Mama had tegen de rechter gezegd dat hij vooral door al die TV-optredens onrustig werd, dan was hij overdag al niet te genieten en kwam hij ‘doorgesnoven’ thuis omdat Johan Derksen weer op Colombiaanse poederkoekjes getrakteerd had of zoiets. Ik weet niet wat doorgesnoven betekent maar vorige week kwam hij thuis met rode ogen en wilde hij bij mijn Roblox-account inloggen om te kijken of ik via patronen met Al-Qaida aan het communiceren was.
Ik vind het allemaal niet erg, hoor, ik snap ook wel dat papa het straatbeeld heeft zien veranderen, dat – sorry, hoor, ik hoor papa weer onder het tapijt zoeken naar agenten van het Moslimbroederschap, heel even – dat de MSM de gevaren van islamo-gauchisme niet ziet en zo, en Chris Jude lijkt mij ook een klootzak, maar ja. Ik wou gewoon dat hij me weer eens uit vissen zou nemen.
Het is een traditie die niet meer weg te denken is uit Nederland: het Sinterklaasjournaal. Dieuwertje Blok of die andere die met hun heerlijke ogen en volle monden de kinderen van ons land voorlichten over de recentste capriolen van Sint en de Pietjes. Wat alleen weinig mensen weten, is dat er vanwege het doorslaande succes van het origineel tegenwoordig ook een rijk palet aan alternatieve Sinterklaasjournaals bestaat: voor ieder kindje wat wils. Propria Cures neemt u mee.
Het Sinterklaasjournaal van Hezbollah
Sjeik S’nt-Al-Klaas is de door iedereen geliefde, witbebaarde kommandant van een succesvolle Hezbollah-brigade in Zuid-Libanon. Een van de redenen voor zijn populariteit is het jaarlijkse S’nt-Al-Klaas-feest, waarbij hij cadeaus weggeeft aan de lokale bevolking. Ook dit jaar is het raak – via een Cypriotisch bedrijf is het Al-Klaas gelukt om vijftienduizend piepers aan te schaffen voor een absolute bodemprijs. Zullen zijn presentjes bij iedereen in de smaak vallen?
Het poststructuralistische Sinterklaasjournaal
Pomopiet is een zwaarmoedige student filosofie en vergelijkende literatuurwetenschap aan de Sorbonne. Hij slijt zijn dagen rokend en flanerend langs de linkeroever van de Seine, waar hij de moderne toestand overdenkt. Op een koude Decemberavond ontmoet hij een mysterieus figuur in een gammel bootje: het blijkt Sintderridaas op zijn pakjesboot te zijn. Voor Pomopiet heeft Sintderridaas geen puzzel of rol snoep meegenomen, maar een theoretisch kader, waarmee Pomopiet mogelijk uit zijn intellectuele impasse kan ontsnappen. Lukt het Pomopiet om zijn pakjes – en zichzelf – te deconstrueren?
Het antisemitische Sinterklaasjournaal
In het antisemitische Sinterklaasjournaal kampt Sinterklaas met een groot probleem: de internationale markt voor pepernoten, chocoladeletters en marsepein wordt gemanipuleerd door een perfide kartel van Semietenpieten, die de wereld een schuldgevoel hebben aangepraat door middel van een verzonnen misdaad in de jaren ’40. Lukt het antisemitische Sinterklaas om te bewijzen dat de diefstal van zes miljoen pakjes suikerbrood door Hitlerpiet helemaal niet heeft plaatsgevonden, of zullen de Semietenpieten zegevieren?
Het Sinterklaasjournaal voor de Chinees-Indische horecasector
Piet Ping Pang van Chin.Ind. Specialiteitenrestaurant De Chinese Piet heeft hoog bezoek op zich wachten: Sinterklaas komt op 4 december met Amerigo en al zijn pietjes langs om rijsttafel te eten. Maar een drama is voorgevallen: Piet Pikant heeft alle sambal in Amsterdam en omstreken opgekocht. Zal het Piet Ping Pang desondanks lukken om een authentieke Chinees-Indische eetervaring neer te zetten, of valt het hele Sinterklaasfeest door flauwe Babi Pangang in de haaienvinnensoep?
Sinterklaasjournaal van tijdschrift Babel
Wanneer Ginds, over de Jordaan, den Pakjesboot landen zal op de bruine en gladgelopen kades onzer stad, zal enigerlei alsmede menig kind in een toestand van blijde verrukking geraken, die enkele maanden reeds in opbouw geweest zijnde was, en deerlijk uitschreien, dat het ‘Feest des Sinterklaas’ is aangevangen! Welk een weelde aan snoepgoederen, maar belangrijker, schone familiale, Oer-Hollandsche Naastenliefde en Gezelligheid zal dan uitbarsten, in een waarlijke explosie! In dit Essaieistisch Journaal zal den Babel documentairewijs trachten te verklaren, welke structurele en andersoortige factoren hebben bijgedragen aan het feit, dat het zo gekomen is, dat het Feest des Sinterklaas een dergelijke plaats van Prominentie in ons culturele erfdeel in is gaan nemen.
Sinterklaasjournaal in makkelijke taal
Het Sinterklaasjournaal in makkelijke taal is voor iedereen. Vooral voor mensen die het soms moeilijk hebben met taal. We leggen die mensen uit wat er aan de hand is met Sinterklaas. En zijn pietjes. Dat doen we met veel plaatjes. En op een rustigere toon. Onze presentator Özcan Akyol neemt je mee. Naar de wereld van Sinterklaas. Kom jij ook?
Het PVV-Sinterklaasjournaal
In het PVV-Sinterklaasjournaal lopen de zaken geenszins op rolletjes. Eritrese fatbikepieten uit het AZC hebben Blonde Piet uit Abcoude verkracht, vermoord en achtergelaten in een greppel. Linkse mediapietjes weigeren het echte verhaal over massamigratie te vertellen, waardoor Sinterwilders in moet grijpen om de blonde meisjespieten van Nederland te verdedigen. Lukt het Sinterwilders om alle testosteron- en kopvodpietjes in de pakjesboot naar Rwanda te brengen, of blokkeren D66-rechterpieten zijn plannen?
MAJM
Ik ben een provinciaal tegen wil en dank: bij mijn geboorteplaats Zwolle voel ik geen greintje chauvinisme. Als Zwolle een product was, was het Knorr Aromat. Als het een element was, was het broom en als het een dier was, zou het een steekvlieg zijn. Zwolle als supermarkt: de Plus. Zwolle als geometrische vorm: een ruit. Het is een Superdry-hoodie waarbij de uiteinden van het capuchonkoord zijn gaan rafelen omdat erop gesabbeld is. Het is aardappelsalade op een aluminium schaal die net overtuigend genoeg de belofte in zich draagt om slechts naar zout en vet te smaken, dat je er na enige twijfel toch een grote klodder van op je bord plempt tijdens een verregende barbecue. Als je Zwolle bij de bouwmarkt kon kopen was het een voegenkrabber van gegalvaniseerd staal. Het is een paar cognacbruine brogues met een blauw accent op de zool, het wetenschappelijk bureau van de ChristenUnie en de salade op het menu van een pizzeria. Misschien zelfs de gepekelde peper die je daar altijd uit moet vissen.
De enige tijd dat ik met weemoed terugdenk aan mijn jeugd op de terp aan de IJssel is nu, eind oktober. Terwijl ik mijn Leidse studentenkamer opstook met canvassen van Herman Brood en me zelfs nog door mijn stijf op elkaar geklemde tanden door hoor fluisteren dat het ‘goed is voor het Nederlandse voetbal’ dat de Eagles van Aston Villa winnen, lukt het me rond deze tijd van het jaar nooit om mijn afkomst verder te verloochenen. Deze periode broeit er zelfs een onstilbaar verlangen in mij op om als een Stachanovist te gaan werken aan een totale Sallandse culturele overwinning. Dat heeft alles met Halloween te maken.
Door het betere lik- en rimwerk van Mark Rutte vuren de Verenigde Staten vooralsnog geen bunker-busters op ons af, maar bombarderen ze alles ten westen van Utrecht met in karamel gedoopte appels op stokken en spinnenwebben van wol. Zoals dat gaat met Amerikaans imperialisme maken de kosmopolieten in de Randstad een zwaaiende beweging langs hun wang terwijl ze deze droge dildo in hun bek krijgen geramd. Sinds ik in het Westen woon weet ik onvrijwillig dat Jason Voorhees geen ijzerhandelaar uit Raalte is, maar iemand die een masker draagt dat refereert aan de enige op ijs gespeelde sport die we nou juist niet kennen in ons mooie land. Als u opmerkt dat ik me hier vergis en Michael Myers bedoel, bwijst dat des te meer hoe ver de besneden pik van Uncle Sam al in uw slokdarm zit. Ik word geacht het maar normaal te vinden dat mensen gezichten in pompoenen kerven en men smeekt mij ‘het fatsoen op te brengen’ om geen scheermesjes in de Bounty’s te steken die ik meegeef aan kinderen die het gore lef hebben om ‘trick or treat!’ te roepen wanneer ze bij me aanbellen, in plaats van een liedje te zingen.
Een belangrijk argument tegen dit oorspronkelijk uit Ierland afkomstige feest (een land vol mensen die een hekel hebben aan de zon, elkaar, en het hebben van een lever zonder cirrose), is dat het kinderachtige kiekeboe-gedoe van Halloween alleen tot de verbeelding van debielen spreekt. Horror is een genre voor mensen van wie de hersenpan eruit ziet als een lege zevenbaansweg waar tuimelkruid overheen waait. Halloween is net als Tucker Carlson en Oxazepam een batterij die aan de wegrottende synapsen van de funko-pop-verzamelaar met het gewicht van een Ford F-150 wordt geklemd. Volgens mij schrik ik? Mooi, dan leef ik waarschijnlijk nog. Tevreden neem ik nog een hap van mijn zwartgeverfde hamburger met pumpkin spice, bel de politie omdat mijn negroïde buurman geluid maakt en krab aan mijn scrotum met de bump stock van mijn AR-15.
Waarom pikt de Hollandse jeugd deze vernedering terwijl we al een prachtig lampionnen-en-twixenfeest hebben? Alleen een compromisloze herwaardering van Sint Maarten kan nog tegenwicht bieden. Wat mij betreft zendt de NPO de weken voor 11 November een journaal uit waarin te zien is hoe de goedheiligman uit Tours allerhande heidens altaar in de hens zet. Ach, comprimisloos, ik ben zelfs nog bereid om een handreiking te doen naar de horrorliefhebbers door een zwartgeschminkte Erik van Muiswinkel te laten figureren als een door Martinus uitgedreven duivel. Alles om de ontheiliging van Allerheiligen te stoppen.
Ik probeer hoopvol te zijn, maar dat lukt slecht omdat ik begrijp dat ik een achterhoedegevecht lever. Als het aan de groeiende groep Halloween-herauten ligt, staan onze dochters de hele herfst punch met promethazine te drinken uit red solo cups, slechts gehuld in een verpleegstersmuts en een witte BH met op elke tepel een rood kruis. Niet als ik er wat over te zeggen heb, ik blijf strijden. Ik stem BBB, want in Nederland hebben koeien staarten en meisjes rokjes aan, zoals het hoort.
IS
Als je veel informatie tot je neemt, ga je daar patronen in herkennen. Dat is iets menselijks. Het blijft dan natuurlijk nog maar de vraag of die patronen echt bestaan, of alleen maar projecties zijn van je eigen geest. Ik ben, voor zover dat nog niet duidelijk was, geen wetenschapper, maar van sommige patronen die mensen denken te zien kunnen we duidelijk zeggen dat ze louter denkbeeldig zijn. Sterrenbeelden, tarotkaarten, dat idee dat fluiten op een boot stormen aantrekt, dat je buikpijn krijgt als je met een mes door je drankje roert. Noem me een cynicus, maar daar geloof ik niet in.
De patronen die ik herken in Nederlandse literatuur, daarentegen, zijn heel andere koek. Die kan ik staven met keiharde feiten. Ik heb hier al een keer eerder vastgesteld dat er slechts drie soorten (recente) Nederlandse romans zijn: romans over hele rare seks op een hele normale, seksloze plek; sleutelromans van deuren die niemand wil opendoen; en aanstellerige autofictie van heel diep uit de mongolenput. Daar blijf ik achter staan, met één addendum. Recentelijk heb ik een nieuw patroon ontwaard. Dat gaat als volgt.
Ik schrijf dit vanuit een isoleercel. Dat komt zo: een paar jaar geleden had ik een familietrauma. Mijn vader was heel streng en mijn moeder was heel lullig. Ik sloeg daardoor met een roestige hamer een al even roestige spijker in mijn eigen arm. Ik kreeg de vereiste zorg; geestelijk bedoel ik, maar ik kreeg eerst natuurlijk ook de behandeling voor die spijker in mijn arm. Nou goed, na die zorg leek het even goed met me te gaan. Toen leerde ik zo in de periode in je leven dat je een beetje ongelukkig en onzeker bent, iemand of iets kennen dat mij helemaal in zijn greep kreeg. Ik begon me te verzetten tegen mijn ouders, die mij immers zo streng en lullig hadden behandeld. Uiteindelijk ging dat helemaal fout. In naam van datgene waar ik zo in de ban van was, verneukte ik iets zo grondig dat het landelijk nieuws werd. Ik werd daarom in de isoleercel gestopt, maar ben op de een of andere manier nog wel zo goed bij geest dat ik er nu heel genuanceerd op kan reflecteren, en er een roman over kan volschrijven.
Rouwdouwers, Vonkie, Beesten die je niet mag schieten, Zomersplinters, De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer, Ludwig: allemaal gaan ze ongeveer zo. De verteller ontrafelt vanuit een soort alternatievige veilige haven een persoonlijke psychologische geschiedenis, van achter naar voren, met flashbacks die flarden van een moeilijke jeugd openbaren. In Ludwig vertelt ze vanuit het gekkenhuis hoe ze deelnam aan een cult, omdat ze een onzekere twintiger was; in Rouwdouwers is ze aan het houthakken met een man die geen Nederlands of Engels kan terwijl ze vertelt over haar kutvader die toch ook weer niet helemaal kut is; in Vonkie is ze op een wandeltocht in Schotland aan het zeiken over haar demente vader die toch ook weer niet altijd dement was.
Waarom boeit dit me allemaal zo weinig? Daar heb ik veel over nagedacht. Dat al deze boeken in essentie ongeveer hetzelfde zijn, helpt niet, natuurlijk. Dat ze in de literatuurgeschiedenis al vaak genoeg veel beter zijn uitgevoerd, ook niet. Dat flashbacks een gemakkelijke en afstompende manier zijn om spanning op te bouwen − een soort automatische cliffhangers, die alleen voor mensen die weinig boeken lezen minder flauw lijken − doet het genre ook geen goed. Schrijvers van deze boeken begaan dan ook nog vaak de fout aan het begin te waarschuwen dat wat hier verteld gaat worden heftig is. Toch een beetje alsof je, wanneer je een zwembad inloopt, bandjes omgeduwd krijgt. We kunnen wel zelf van de duikplank, hoor.
Uiteindelijk is het grootste probleem dat deze boeken, ik schaar ze bij dezen onder de noemer ‘playbackproza’, vaak nog slecht geschreven zijn, ook. Omdat Ludwig het exemplaar van deze soort is dat ik als laatste heb gelezen, en het voor een debuut best succesvol was, gebruik ik dat als voorbeeld. Auteur Jana Antonissen kende ik niet, maar op basis van haar biografie op de achterflap lijkt ze me een soort Vlaamse Doortje Smithuijsen. Daarvoor geldt hetzelfde als voor iemand met een vierkante snor die Drittes Reich uitschreeuwt met een zachte ‘g’: toch wat minder eng, maar het blijft Adolf Hitler.
Geen vliegende start, maar ik ben een rechtschapen jongen: ik ging er zonder vooroordelen in. Helaas bleek mijn Hitler-vergelijking weer eens verre van voorbarig: Ludwig is ook niet heel veel beter geschreven dan Mein Kampf. Probeer de volgende zin maar eens, nou ja, te lezen: ‘Die eerste nacht was de bedwelmende cocktail van anticipatie, vrees en ontzag zo tastbaar dat ze schitterend als het weerkaatste lusterlicht van alle spiegels was gesprongen, ons in haar weldadige gloed ondergedompeld had.’ In het beste geval mist hier een komma, in het slechtste geval een heel zinsdeel. Net zo heeft Antonissen in het beste geval dyslexie, en in het slechtste geval een virale hersenvliesontsteking.
Opnieuw, ik ben geen wetenschapper, maar het lijkt toch te neigen naar dat laatste. Ludwig is dus een roman over een cult, en Antonissen schuwt daarbij geen enkel cliché. Zo ook niet het cliché van de onweerstaanbare groepsdruk: ‘Eindelijk droeg ik bij. Eindelijk werd ik opgeslokt door iets groters, iets waarvan ik niet eens had durven dromen, iets waarvan ik had aangenomen dat het niet meer bestond: een maalstroom, een beweging, een geschiedenis schrijvende groepering.’ Ten eerste: Jana Antonissen lijkt me echt zo iemand die, als ze heeft besloten een roman te gaan schrijven, begint met het maken van een woordweb waarin ze samengestelde woorden als ‘maalstroom’ en ‘lusterlicht’ opneemt. Als ze dan, na meerdere lange sessies geconcentreerd nadenken, genoeg van die gecompliceerde woorden heeft verzameld om een A4’tje te vullen, kan ze eindelijk beginnen die met betekenisloze zinnen aan elkaar te knopen. Ten laatste: kijk, ik kan best geloven dat een cult verraderlijk kan zijn, hè. Dat je, ook als weldenkend mens, door groepsdruk en massahysterie tot dingen in staat kan zijn waarvan je dat nooit verwacht had. Maar maak dat dan tenminste enigszins invoelbaar door niet de allerdomste naïeve blonde kluchtkut ooit als hoofdpersonage op te voeren. Nu geloof ik het gewoon niet. Noem me maar een cynicus.
Dit was maar één voorbeeld, maar playbackproza is echt een wijdgespreide zwarte schimmel in de vodderige badkamer die de Nederlandse boekenwereld is. Ik ben toevallig net begonnen in de nieuwe roman van Emy Koopman, De vrouw in de kelder, en ja hoor: het gaat over een vrouw die in een kelder woont, en via flashbacks de relatie met haar vader, die net zo goed de kut-maar-ook-weer-niet-helemaal-kutvader uit Rouwdouwers had kunnen zijn, probeert te duiden. Emy Koopman kan dan wel een stuk beter schrijven dan bijvoorbeeld Jana Anatonissen, maar toch: vanaf de eerste flashback boeit dit verhaal mij minder dan het scheppingsverhaal een geaborteerde foetus. Bedenk je eigen verhaal, bedenk je eigen structuur, bedenk je eigen spanningsboog, of stop met schrijven. Lijkt me niet te veel gevraagd. Toch?
WF
Ludwig, Jana Antonissen. De Bezige Bij, €23,99
Rouwdouwers, Falun Ellie Koos. Atlas Contact, €22,99
Vonkie, Froukje Arns. Ambo|Anthos, €23,99
Beesten die je niet mag schieten, Femke Brockhus. De Bezige Bij, €22,99
Zomersplinters, Mick van Biezen. Lebowski, €22,99
De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer, Julie Cafmeyer. Pluim, €22,99
De vrouw in de kelder, Emy Koopman. Arbeiderspers, €23,99
‘Poëzie is een daad’, dichtte Remco Campert ooit. Een stelling waar ik lang sceptisch over was. Touwtjespringen is een daad, net als volkerenmoord of afwassen, maar poëzie is een kunstvorm die draait om gestileerde taal – het brengt niks fysieks in de wereld teweeg. Dat dacht ik, althans, tot vanochtend, toen ik mijn stoel iets te hard naar achteren schoof, waardoor Een nieuw geluid: de geboorte van de moderne poëzie in Nederland vanaf de bovenste plank van mijn boekenkast op mijn hoofd viel.
Een nieuw geluid is geen dun boek – sterker nog, dat het ongeveer evenveel woog als een Gazaanse puber was het enige gegeven dat ik geregistreerd had toen het enkele maanden geleden met een oerknal op mijn deurmat viel. Dertig jaar hadden de geleerde heren Dorleijn en Van den Akker geploeterd aan dit monumentale overzichtswerk, en iedere verduidelijkende voetnoot en rijmschemaverklaring had bijgedragen aan de monumentale, gutsende hoofdwond die ik nu aan het verplegen was. De meeste mensen zouden na zo’n ervaring misschien mokken, of negatieve gevoelens koesteren tegenover de geleerde heren, maar zo zit ik niet in elkaar: ik besloot even om te denken.
Met monumentale handboeken over Nederlandse poëzie aan het begin van de twintigste eeuw kun je namelijk een stuk meer doen dan op het eerste gezicht lijkt. Het gewicht (ruim twee kilo) van Een nieuw geluid schept in combinatie met het handzame formaat een rijk palet aan mogelijkheden. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’ hoeft nu helemaal geen probleem meer te zijn: met een stuk of honderd exemplaren van Een nieuw geluid kan de dichterlijke doe-het-zelver gemakkelijk een tiny home met energielabel A bouwen. Voor mensen met veel vijanden is het ook handig om over een doosje te beschikken, zodat een werpwapen met een puntige kaft en een cultureel verantwoord alibi altijd binnen handbereik is.
Maar nu genoeg over de vorm – op naar de inhoud. De inhoud, weet ik uit ervaring, komt het beste naar voren in de inhoudsopgave, en precies in die inhoudsopgave beginnen donkere wolken zich aan de monumentale dichterlijke horizon te verzamelen. Hoofdstuk 1 van het proloog heeft ‘Poëzie: een ronde, volvlezige meid’ als titel, waarover ik alleen maar kan zeggen: gadverdamme (en: onwaar, want poëzie is zoals gezegd geen ‘meid’, maar een kunstvorm). Dit boek kent wel meer vreemde hoofdstukken. ‘Passieloze passie’ (kan helemaal niet). ‘Middelmatige dichters.’ ‘Belangrijke dichters.’ ‘Andere “grote dichters”.’ Met een beetje knippen, plakken en met leestekens strooien kun je er best een werkbaar nY-gedicht van bouwen, ik zeg maar wat:
Socialisme is het nieuwe literair:
Het direkte arbeiders-sentiment? Nieuwe media.
De ‘Joodsche ziel’? Verboden lust.
De homoseksuele constellatie – moderne Vlamingen – west meets east
Ik heb alleen een groote gramofoon.
Rare bedoening dus, die inhoudsopgave. Wie is daar verantwoordelijk voor? De smoking gun vinden we al op de kaft, waar – traditiegetrouw – de auteurs vermeld staan: Gillis Dorleijn en Wiljan van den Akker. Klinkt als een stel vijfentwintigjarige PhD-studenten aan de Amsterdam School for Cultural Analysis met gekerfde barcodes in hun anorectische, keffijeh-omhulde, aan-de-A12-vastgelijmde-armen, maar niets is minder waar: dit zijn twee hele oude lullen met academische aanstellingen. Op de laatste pagina van het boek vinden we zelfs een foto van de auteurs, inclusief verklarende tekst. Beide inmiddels gepensioneerde heertjes zijn hoogleraar moderne letterkunde geweest, waarbij je natuurlijk in eerste instantie ‘poe poe’ denkt, maar in hun tijd (de jaren ’80) hoefde je toch maar drie romantitels van Lodewijk van Deyssel op te dreunen terwijl je een koprol deed om een leerstoel te bemachtigen. Heel veel heeft het ze duidelijk niet opgeleverd, want beide geleerde heren zijn hartstikke kaal en wit. Dat zou mij niet overkomen, maar ja.
Nu zijn er vast allerlei kwade geesten die as we speak tegen zichzelf zeggen: ‘MAJM, je hebt dit boek helemaal niet gelezen, deze heren hebben toch een grote bijdrage geleverd aan de academische discussie over de vroege modernistische poëzie in Nederland?’. Dat kan ik dus niet beoordelen, want ik heb het boek, inderdaad, niet gelezen: ik was allerlei lekkere fruittaartjes aan het bakken en eten met mijn lieve vrienden. Maar ik kan wel afgaan op marginalere details. Zoals het feit dat de tekst op de achterflap in het goud is afgedrukt. Een Mai Spijkers-perversie. Walgelijk. En dan nog het gedicht achter de kaft: ‘een nieuwe lente en een nieuw geluid’. Terwijl het herfst is. Belachelijk. Daar pik je toch geen hoofdwond van?
MAJM
Een nieuw geluid: de geboorte van de moderne poëzie in Nederland, Gillis Dorleijn en Wiljan den Akker.
Prometheus, €55,00.
Kent u die anekdote van Wittgenstein, waarin een man zo vol ongeloof is over wat er in de krant staat dat hij teruggaat naar de krantenwinkel om een tweede exemplaar te kopen? Iets vergelijkbaars overkwam me toen ik Professor Soortkills Smibologie vol. 2 operation manual in handen kreeg. Ik was ervan overtuigd dat de drukker een fout had gemaakt, want de rug van het boek zat aan de rechterkant. Ik besloot naar de winkel terug te gaan. De mevrouw van de boekhandel keek meewarig naar mijn niet-urbane verschijning die een onbekendheid met de Smibanese codes verraadde en lachte me uit: ‘Heeft u dan niet op de kaft gekeken?’. Daar stond het, inderdaad: ‘Voor alle duidelijkheid, dit is de ACHTERKANT van het boek, niet de voorkant. Dit boek lees je ACHTERSTEVOREN. Wij van de Smibanese University gaan namelijk tegen de stroming in, dus lees je dit boek ook tegen de stroming in.’ Beduusd ging ik huiswaarts.
Ik kende de hooggeleerde heer Soortkill voornamelijk als lexicograaf; dat hij een academische aanstelling had gekregen was aan me voorbij gegaan. Na wat onderzoek groeide mijn begrip. Aan de Smibanese University studeer je cum laude af wanneer je gemiddeld lager dan een vier haalt. Er spuiten koffiegeisers uit de urinoirs omhoog en uit de automaten druppelt urine. Op de leerstoel van professor Soortkill kun je met vier man zitten omdat de poten aan de bovenkant zitten en hij wordt gefinancierd door Hamas. Je bachelor doe je er na je master. In de Smibanese universiteitsbibliotheek wordt trapmuziek gedraaid en staan petrischaaltjes klaar om in klaar te komen die je, indien gevuld, kunt inruilen voor ECT’s. Deze info vond ik op com.smibaneseuniversity.www. Je scriptiebegeleider begeleidt je er naar de coffeeshop. Als je als student tegen deze gekke gang van zaken wilt protesteren, word je geacht een bordeel te bezetten.
Mijn interesse in de smibologie was inmiddels gewekt. Om een tweede blamage zoals die bij de achterflap te voorkomen, las ik de inleiding aandachtig. Daarvan is de laatste zin: ‘Lees het zolang ’t je interesseert, en zo niet, lees het niet’. Omdat mijn interesse na deze woorden alweer weg was, heb ik dat advies ter harte genomen. Gelukkig hoef je deze handleiding niet te lezen om te snappen dat het het meest achterlijke boek is dat het de afgelopen decennia tot in de schappen heeft geschopt. Tussen de halve gedachten en tenenkrommende platitudes kun je Soortkills inspiratiebronnen al scannend wel opvangen: Napoleon Hill, Paolo Coelho en Stephen King. En dat zijn dan nog de namen die hij expliciet noemt: tussen de regels lees je invloeden van de High Times, stoepkrijtwerk van Lies (4) en crackie Liemarvin van de Hakfortflat.
Van deze keur aan invloeden perst hij één groot platgeslagen Maggi-blok. Professor Soortkill heeft zo’n ziekelijke behoefte aan cliché’s dat hij nog met een op straat gevonden frietvorkje zijn huid zou openwrikken om ze in zijn bloedsomloop te brengen. Hij ademt ze in, slikt ze door en poept ze als ongrammaticale brokken weer uit: ‘Het sneeuwbaleffect wat [sic] hieruit ontstaat gaat de uiteindelijk [sic] schaal worden waarop jouw impact zich zal manifesteren’. Zulke ongein schreeuwt je letterlijk op elke pagina tegemoet, waardoor je de impact van een zware schaal op Soortkills achterhoofd wil manifesteren.
Toch maar weer terug naar de achterflap, dan maar: ‘Dit is een boek dat gaat over het bewandelen van je levenspad met een overtuiging waar menig mens u tegen zegt.’ Degene die Professor Soortkill op het levenspad van schrijver heeft gebracht, is een racist waar menig mens imperial wizard tegen zegt. Soortkill is een viervoudig geamputeerde die over de tartanpiste van Papendal wordt gerold. Achter zijn romp-met-hoofd hollen de witte puntmutsen met daaronder de glunderende koppen van de hoofdredacties van NRC en de Groene. Ondertussen staat Femke Bol aan de zijkant haar eigen kiezen tot gruis te kauwen terwijl deze letterlijke bol over een horde getild wordt, maar ze mag niks zeggen want dan zou zíj́ de racist zijn.
Smibologie vol. 2 operation manual is, dat zeg ik zonder enige overdrijving, het allerslechtste boek dat ik ooit niet las. Kent u die anekdote over Wittgenstein, waarin hij Karl Popper met een hete pook bedreigt? Afijn, u snapt waar ik heen wil, maar omdat ook ik niet voor racist wil worden uitgemaakt kan ik hier verder niet over spreken en moet ik zodoende zwijgen. Over de hotbox en whip die de professor verdient houd ik ook maar mijn mond, en dan heb ik het niet over jonko klappen en een waggie, nek je die?
IS
Smibologie vol 2. operation manual, Prof. Soortkill.
Pluim, €22,99
Als ik een Substack had die vernoemd was naar mijn eigen naam, zou ik een polemiek beginnen tegen Dave Schut. Waarschijnlijk zou ik dan eerst een ironisch verwoorde spoiler invoegen, om zo veel mogelijk lezers aan te moedigen tot het einde door te lezen. Bijvoorbeeld: in de laatste alinea wordt het pas echt leuk! Daarna zou ik beginnen met een uitleg van wie Dave Schut is, want dat weten alleen mensen die een Substack hebben die vernoemd is naar hun eigen naam. In het kort: Dave Schut is een aspirant-NRC-columnist die nu (nog eventjes) werkt als freelance tekstschrijver voor Andrélon, maar elke dag zijn hele ziel en zaligheid steekt in Bluesky-berichten en Substack-artikelen die aan God en Patricia Veldhuis moeten bewijzen dat hij voor iets hogers bestemd is.
Op Substack is zijn vaste rubriek een maandelijkse post waarin hij ‘het beste’ dat hij die maand ‘gelezen, bekeken en beluisterd’ op een rij zet. Lijstjes zijn nu eenmaal vaak het weapon of choice van autisten; daar kan Dave ook niks aan doen. En dat hij in deze maandelijkse lijstjes lang niet altijd een boek noemt, is een beetje gênant, maar nog geen crime. Schut wordt pas echt kut als hij nog zo’n lijstje maakt, maar dan van ‘26 manieren om niet te hoeven beseffen wat de Palestijnen wordt aangedaan’. Kan het lintwormachtiger dan genocide gebruiken om jezelf te verheffen terwijl je niks uitvoert en dat dan weer ironiseren zodat het toch niet erg lijkt?
Ja: opscheppen over dat die lijst van 26 smoesjes heeft geleid tot een artikel in NRC. En dat dan weer tot een artikel in een Iraans tijdschrift. En daar dan weer aanstellerig over doen. ‘Nu kreeg ik het warm. Het was op een doordeweekse avond, ik lag al in bed. Ik sloeg de dekens van mij af en probeerde niet te denken dat ik die nacht zou worden gekidnapt door Israëlische of Amerikaanse veiligheidsdiensten.’ Wil Schut ons doen geloven dat hij echt bang was dat de Mossad een Operatie Bayonet 2 op hem los zou laten omdat hij een stukje in NRC had geschreven over wittemensensmoesjes? Of wil hij gewoon opscheppen, om zijn imago te verbeteren?
Om die vraag te beantwoorden moeten we dieper graven. Tot de kern. Gelukkig heb ik helemaal geen Substack, maar ben ik PC-redacteur. Iemands kern vatten is mijn specialiteit. De essentie van Dave Schut is dat hij heel veel bezig is met zichzelf als anders presenteren dan die essentie. Er bestaat dan ook een groot verschil tussen hoe hij zichzelf presenteert en hoe hij daadwerkelijk is. Ik zal eens wat voorbeelden noemen. Hoe Schut zichzelf presenteert: randstedeling. Hoe hij werkelijk is: woonachtig in een Vinex-wijk in Alkmaar. Presentatie: geëngageerd. Werkelijkheid: abonnee van (limitatief:) Quest, Nieuwsblad Alkmaar, AutoWeek. Presentatie: smaakvol. Werkelijkheid: heeft zijn huis (in Vinex-wijk in Alkmaar) ingericht in pasteltinten en bewust dode planten; volgt @folkert_slump (voor ‘advies voor mannenkleding’) op Instagram; heet ‘Dave’.
Voor iemand met een beetje mensenkennis is het overduidelijk dat de werkelijkheid van Schuts bestaan behoorlijk belachelijk is. Maar, ho, Dave Schut zou Dave Schut niet zijn als hij niet een manier had bedacht om ook die mensen voor zich te winnen: zichzelf belachelijk maken. Hij gebruikt bijvoorbeeld slice of life-tweets over ha-ha-herkenbare rijtjeshuisellende om te laten zien dat hij zichzelf ook heus niet serieus neemt: ‘Met slechts een minuut te gaan tot de videomeeting moest ik mijn handmatige zit-stabureau nog naar beneden krijgen. Bij het voorstelrondje was ik buiten adem.’ Iedereen die wel eens een okkernootje heeft gekregen weet dat deze strategie niet werkt: door jezelf belachelijk te maken maak je jezelf alleen maar, nu ja, belachelijker. Voor iemand die eruitziet alsof hij snuffelend langs de kapstokken ging om alle jassen met een wietgeur aan te geven bij de conciërge, is het best gek dat Schut dat nog altijd niet begrijpt.
‘Ik stel trapfietsers die ik inhaal op mijn elektrische fiets altijd even gerust met de mededeling dat ik een paar jaar eerder doodga door een gebrek aan beweging.’ Ja, Dave Schut probeert ook wel eens iets grappigs te schrijven. Daarmee raak ik aan een gevoelig punt. Met die gelijkenis tussen hem en mij moet ik opeens hoeden voor wat Freud het ‘narcisme van het kleine verschil’ noemde: des te meer mensen op elkaar lijken, des te sneller ze kritiek op elkaar hebben. Een bekend voorbeeld hiervan zijn de twee volkjes in Swifts Gulliver’s Travels die jarenlang oorlogvoeren over de manier waarop je een ei hoort te breken. Ik heb het zelf wel eens gehad over de langlopende vete tussen de inwoners van Hazerswoude-Dorp en Hazerswoude-Rijndijk.
Laat het duidelijk zijn dat dat niet is wat er hier aan de hand is. Dat Dave Schut af en toe Aron Groot retweet, betekent niet dat wij op elkaar lijken. Een grap van Dave Schuts kaliber is bijvoorbeeld: ‘Mona Keijzer is gewoon Bart Nijman met lang haar.’ Slaat nergens op. Het is een goed format, daar niet van. Zo goed dat het bijna moeilijk is om het niet grappiger te maken. Een vrouw is een man met een vagina. Een vrouw is Charlotte Remarque zonder downsyndroom. Dave Schut is een man met een vagina. Dave Schut lijkt op Ellie Lust als ze in de mavo/havo-brugklas wél de havo had gehaald. Dat is het verschil.
WF
Ik ben twee keer met Günter Grass naar bed geweest. De eerste keer was ik 19, de tweede keer 33.
In 1966 was Grass een paar weken in Amsterdam om bij te komen van de opwinding van de premiere van zijn toneelstuk Die Plebejer proben den Aufstand. Hij logeerde in een hotel, maar was overdag vaak bij ons thuis, ook voor het avondeten. Mijn vader was met hem bevriend geraakt door de bijeenkomsten van de Gruppe 47 in Duitsland. Ik woonde nog bij mijn ouders en studeerde Italiaanse taal- en letterkunde. Mijn verliefdheid voor een Italiaan die mij ertoe aangezet had Italiaans te gaan studeren was over. Ik had het uitgemaakt, maar zat vol twijfels. Ik dacht dat ik niet van een man kon houden, ik kon niet klaar komen en ik kon niet zonder mijn ouders leven.
Dat Grass zich voor me interesseerde verbaasde me en ik voelde me gevleid. Maar het maakte me ook een beetje bang. Hij was 38 en in mijn ogen al bijna een oude man. Ik had nog nooit een vriend gehad met een snor, een man die uit zijn mond naar tabak rook en een pils tegelijk met een borrel opdronk. Ik genoot er wel van dat mensen naar ons keken als we gearmd over straat liepen. Het voelde spannend alsof ik iets deed wat niet mocht.
Ik herinner me dat ik iedere keer als Günter probeerde me te kussen als excuus ‘niet hier’ aanvoerde. Niet op een rondvaartboot, niet in een dancing en ook niet op straat.
‘Waar dan wel?’ vroeg Günter lachend.
Ten slotte kreeg ik toch het gevoel dat ik ‘ns keertje toe moest geven en bovendien hoopte ik dat seks met een man met ervaring me van mijn twijfels zou kunnen genezen. Hij was tenslotte getrouwd en had kinderen.
Ik vraag me af wat mijn ouders die het zagen gebeuren ervan vonden. En ook of Günter het gewoon vond om de dochter van zijn vriend te verleiden. Misschien dacht hij dat in Nederland ‘alles’ kon.
Mijn moeder hielp me met krullers in mijn haar zetten voor ik op een avond met Grass zou gaan dineren bij Hotel de l’Europe. Bijna ging ons etentje niet door, want Grass probeerde me meteen op bed te duwen toen ik hem in zijn hotelkamer kwam ophalen.
‘Daarvoor heb ik geen krullers in mijn haar gezet’ schoot het door me heen. En ik bracht in dat we zouden gaan eten.
Dat deden we ook, maar de stemming was onder nul gezakt. Ik voelde me ongemakkelijk en Günter mopperde omdat hij gebakken aardappels kreeg bij zijn forel.
Er zat niets anders op dan te gaan vrijen in het hotel. Dat werd geen succes. Na afloop moest ik huilen.
Toen ik Grass terug zag in Berlijn in 1979 vond ik hem veel leuker om te zien dan toen ik 19 was. Hij straalde iets vitaals uit en was bruin vanwege een in Alaska doorgebrachte lentevakantie. Hij had fijne handen en felle bruine ogen. Ik was inmiddels Drs. Italiaanse taal- en ketterkunde en had geen zorgen meer over mijn relaties met mannen. Ik was naar Berlijn gekomen om Grass te interviewen voor een nieuw op te richten Duits tijdschrift. De verfilming van Die Blechtrommel ging in première.
Eigenlijk ging het meteen mis toen hij me uitlachte vanwege mijn uiterlijk. Ik droeg een glimmende rode plastic broek, een rood leren jasje en knotsige ringen met namaak diamanten, gouden oogschaduw en felrode lippenstift.
‘Je ziet eruit alsof je van een andere planeet komt’ zei hij en dat was niet als kompliment bedoeld, want hij probeerde me aan te praten dat ik me uit onzekerheid zo kleedde en opmaakte.
Tijdens het interview kreeg ik geen vat op hem en hij gaf me het gevoel alsof ik domme vragen stelde wanneer ik bijvoorbeeld wilde weten of hij wel eens leugens vertelde.
Daar gaf hij trouwens wel een leuk antwoord op.
‘Ik heb als kind altijd heel veel gelogen en ik lieg ook tegenwoordig nog, meestal omdat de waarheid me verveelt.’
Toen we met het interview waren opgehouden werd het plotseling veel gezelliger. Ik nodigde hem uit te gaan eten en gearmd liepen we naar een Italiaans restaurant in de buurt. Praten over ieder onderwerp en ‘domme’ vragen stellen was mogelijk.
Na het eten zei Grass dat hij zich afvroeg of hij met me slapen wilde of niet.
‘Mij lijkt het wel leuk om te kijken of het anders is dan vroeger.’
‘Dat zou te weinig reden zijn om het te doen’ zegt hij.
Toch liggen we niet veel later in bed. Een succes werd het wat mij betreft weer niet, maar ik hoefde er gelukkig niet meer om te huilen. Met een taxi ging ik terug naar mijn hotel. We hadden alletwee niet de behoefte meer tijd met elkaar door te brengen.
Alissa Morriën
schrijver
Dit is een programma in de zendtijd voor publieke onthoofdingen. Figuurlijk natuurlijk, moet ik als Maghrebijnse Nederlander met meer dan één paspoort erbij vermelden. Want Dilan Yeşilgöz lijkt me zo’n type dat geen gelegenheid onbenut laat om haar juridische netwerk in stelling te brengen om Noord-Afrikanen aan te klagen en, als het even kan, te deporteren. Daar heeft ze Geert Wilders trouwens helemaal niet bij nodig. Wilders is te onbetrouwbaar om Marokkanen écht het land uit te zetten. Waarom zou een ondernemer zijn eigen verdienmodel ondermijnen?
Voor Dilan Yeşilgöz daarentegen is vreemdelingenhaat geen middel maar een doel. Ze is weliswaar zelf ooit als gelukszoeker- vermomd-als-asielzoeker via nareis-op-nareis naar Nederland gekomen, maar niets menselijks is de vreemdeling vreemd. Bij binnenkomst gauw de ladder omhoog. Er is slechts ruimte voor één Dilan. Dát is de reden waarom alle Dilannetjes met moeilijke achternamen niet mogen komen of blijven. Meer cedilles en umlauts passen niet meer in dit land, aldus Dilan Yeşilgöz. Het zou haar overigens vergeven zijn (ook allochtonen hebben het recht harteloos te zijn als ieder ander in dit kille land) als ze niet zo’n saaie en neppe Gestapo-larper was. Je kunt alles zeggen over Marine Le Pen of Giorgia Meloni – bijvoorbeeld dat het onversneden fascisten zijn – maar niet dat ze geen karakter hebben.
Dilan Yeşilgöz doet haar best om een karakter te veinzen dat ze niet heeft. Dat doet ze mede door een identiteit te wissen die ze ongetwijfeld ooit had. Ze doet me denken aan een sketch van Dave Chappelle, waarin een blindgeboren zwarte man ervan overtuigd was wit te zijn en lid werd van de Ku Klux Klan. Niets aan Yeşilgöz is authentiek. Ze moet, los van die prachtige naam, toch wel íets hebben overgehouden aan haar Turks-Koerdische afkomst? Een kinderliedje misschien? Scheldwoorden (ik incasseer ze met alle liefde)? Iets gastronomisch? Ze laat in ieder geval niets van dat alles blijken. Iedereen mocht wél weten dat ze van donuts en die domme hond van haar houdt – nog vóór haar geweldige vent wiens achternaam ik maar niet zal noemen, want dat is tegenwoordig ook al antisemitisme. (Farid Azarkan, ik geloof je).
Nota bene Wilders heeft ooit aangegeven liefhebber te zijn van baklava. Yeşilgöz liet op Instagram een foto zien van een bacon cocktail. Wat? Een bacon cocktail. Smerig. Was het een grap? Of is het onderdeel van een soort verlate ontgroening bij de corpsballen van de VVD? Knipper met je ogen als je hulp nodig hebt, Dilan. Of nee, stik erin. Iedereen krijgt de pushback die zij verdient.
Dilan Yeşilgöz is de pick me girl en pick me-migrant in één. Zie hoe ze naast de mannen van VI Vandaag alle misogyne grappen en grollen incasseert, terwijl ze van elke Marokkaanse jongen die op de hoek van de straat een sis-geluid maakt het liefst de schedel wil openbreken.
‘In dít land. Ónze normen en waarden. Ónze vrijheid.’ Ze doet zo haar best. Dilan Yeşilgöz moest eens weten hoe er achter haar rug bij de VVD over haar gesproken wordt. Maar ze kan het hebben. Ze is namelijk een politieke pitbull. Althans, zo ziet ze zichzelf graag. Anderen zien een onbetrouwbaar sujet. Een dubbelhartige politica. Een intellectueel lichtgewicht. Dat is ze allemaal óók. Yeşilgöz gelooft niettemin dat ze premier kan worden. De eerste vrouwelijke premier. De eerste minister-president met een migratieachtergrond (die zijn het ergst). Klinkt mooi, hè. Maar we weten allemaal dat Geert Wilders haar alsnog zal aftroeven. You can’t bullshit a bullshitter.
Misschien is dat helemaal geen slecht vooruitzicht. Een beter milieu begint in het parlement. Geert, verlos ons: deporteer Dilan naar het godvergeten gat waar ze vandaan komt. Op een gammel bootje. Met haar kaolo daggoe. Ik trakteer. Baklava.
Lotfi El Hamidi